Amateurs!

Een prachtig stukje, ingezonden door Jef Peeters

 

’t Gerucht ging de ronde dat door de dreigende verbreding van de grachtweg dwars door de Scheldestad de gezondheid van de bewoners zienderogen achteruit zou boeren.

De blauwen drongen aan om eens met Fortis te praten, de oranjen zagen meer in die van Dexia, en de roden vielen voor Ethias. Het werd moeilijk.
‘Maar geachte collegae, waarom ruziën over een probleem dat er niet is?’ De kas was leeg.
En wat gezegd van pps? Neen, mocht niet meer van Europa, en het was niet meer in de mode.
BAM wat nu?
Eentje, een van heel radicale strekking, gooide een bommetje in de zaal.
‘Haal het geld waar het zit, in Brussel, we draaien die mannen wel een poot uit, maar hoe?’
Bart de W. en Van Peel M., beiden niet op hun mond gevallen historici, sprongen op tafel en improviseerden voor de vuist weg over een nakende massale stadsvlucht uit A. zoals in de zestiende eeuw, brand op ’t Schoon verdiep, Spaanse furie, Willem van Oranje, Napoleon, meetingpartij, revolutie, Rik Coppens, zot Polleke (die van Singer naaimachien), de gard civic, Jan De Cleir, maar die leeft nog, iedereen was enthousiast.
Die twee zouden dat Antwerps theater in Brussel nog eens overdoen en die mannen van het parlement zouden die van ons wel tegemoet komen. Onze vraag naar geld was in de sacoche.
Toen de emoties wat waren gaan liggen, de voetjes terug op de grond, kwam er toch weer wat twijfel opsteken onder de gemeenteraadsleden.
Geld was niet alles. Misschien moeten we nog iets anders verzinnen om de Antwerpenaren op hun plaats te houden. Het moest iets worden van dit, en iets van dat, en het moest ook praktisch zijn. Er was daar nog iemand in de zaal en die had nog voor het loodswezen gewerkt, had zeemansbenen en was klant in ieder echt Antwerps café. Hij vertelde dat hem in de weekendkrant een hele raison had gelezen van bekende architecten die het hadden over de symboliek van de nog te bouwen Lange Wapper brug.
‘Die twee peilers, de manier waarop die architecten daarover praatten, dat was zo verheven en tezelfdertijd zo hoe zal ik zeggen, zo pornografisch dat een mens er ongemakkelijk van werd.’
De gepensioneerde zeeman was de gemeenteraad aan het inpakken.
‘Dan’, zo ging hij verder, ‘kwam er nog een architecte aan het woord, die had ook meegewerkt aan dat spel, en die dacht dat ze echt de slimste van de hoop was.
Die had het niet alleen over twee wonderlijke fallische pylonen, maar ook over de verbinding tussen die palen. Zij zag daar een poort in, in ’t geheel van de brug wel te verstaan hé, de poort naar de haven. Valt na omver dacht ik.
‘k Heb daar zo ongeveer nen halven dag mee rondgelopen, met al die intellectuele rimram, en toen was het er ineens, ne flits, een idee.
Ik zag de mythische poort en daaronder dobberend de boot van Panamarenko’.
We creëren een verbinding over het Straatsburgdok van Noord naar Zuid, zodanig dat iedere Sinjoor de brug, poort naar de dokken, in de dokken, ook eens vanonder kan zien. Een feest, eindelijk is er op de Luchtbal ook iets te beleven.
En als er veel volk komt, de hele wereld wel misschien, dan bestellen we een veelkleurige vloot bij de Panam Shipyards. Dit was wat Antwerpen nodig had, zo bezwoer de schipper, en de gemeente volgde. De eerste burger van ’t stad pakte zijn gsm, een rood exemplaar uit de stadswinkel met een fraai logo, en bestelde de Spitsbergen.
Hallo Spitsbergen, Panamarenko, hallo… zet vaart naar het Straatsburgdok. Hallo, hallo.
Wij weten allemaal dat Panamarenko’s voertuigen altijd werken in onze verbeelding maar soms wel, soms niet in de echte wereld.
De onderzeeër vaart nog altijd maar kwam nooit in Antwerpen toe.

En wat met de brug?