Kapot

Kapot

Geert Van Istendael

 

't Zijn weiden als wiegende zeeën Die groenen langs stroom en rivier, Hier vredige dorpkens, daar steeën ..." (Vlaams lied)

 

Bijna honderd jaar oud is het vers van Willem Gijssels, getoonzet door de jonge Renaat Veremans, en toen al was het de romantische onzin die generaties romantische flaminganten heeft laten zwijmelen. Vijftig jaar geleden of daaromtrent heb ik het zelf vaak genoeg gezongen in jongenskoren. Maar zodra ik na de zangstonde mijn mond sloot, opende ik mijn ogen.

Ik zag het bederf van de dorpen. De steenwegen, platen beton aan elkaar gelast met pek. Langs de steenwegen, de zelfvoldane, knalrode huizen, her en der en in steeds groteren getale, gevelsteen vooraan, zijwaarts goedkope steen. Het eerste gele exemplaar met groen dak. De platte parochiezalen, lichtblauwe platen onder de aluminiumramen, trefzeker het zicht op de kleine kerk verknoeiend. De scheur in de grond waar een week eerder nog een heg had gebloeid.

We zijn beland in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Ik denk dat lelijkheid, onversneden, banale, schaamteloze lelijkheid me de weg heeft gewezen naar de ruimtelijke ordening. En de poort van de hel stond toen nog maar op een kier. "Lasciate ogne speranza, voi ch'intrate", laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt, kon je volgens Dante lezen boven die poort. De Vlamingen zijn massaal en juichend naar binnen gestormd, recht de hel in, en ze zijn al die jaren blijven doorhollen.

Ik hield me in het begin van de jaren zeventig bezig met het besluitvormingsproces in de ruimtelijke ordening. Lees: met de prille ontwerpen van gewestplannen. Voor de ontwerpen die ik bestudeerde vroegen alle gemeentebesturen bouwen langs alle verharde wegen. Allemaal. Honderd procent komt in de sociologie slechts uiterst zelden voor. Wel, hier had je zo'n rariteit. Intussen waren die gasten in ijltempo al hun wegen aan het verharden, er was nog geld in die gouden jaren. Ik bouw wat ik wil waar ik het wil. Dat was de grondgedachte van onze ruimtelijke ordening. Het resultaat kun je vandaag in elk Vlaams dorp gaan bekijken.

Tegelijkertijd deden de ingenieurs van Openbare Werken hun uiterste best om heel het noorden des vaderlands, van De Moeren tot Kessenich, vol te smeren met beton, de technocratische variant op het bouwen à gogo. Dat resultaat kun je gaan beluisteren in elk Vlaams dorp. Noteer dat zowel ingenieurs als gemeentebesturen handelden in volmaakt harmonieuze eenklank met de volksziel, want iedere Vlaming wil een autoweg tot voor de oprit van zijn dubbele garage die een vredig dorpke siert dat zich neder heeft gevlijd te midden van weiden als wiegende zeeën.

 

VLAANDEREN KENT GEEN GENADE

 

Het Vlaamse land is moedwillig naar de duivel geholpen. Dat hebben de Vlamingen zelf gedaan, in vredestijd, met onverdroten ijver. O, misschien zijn er hier en daar met een sterk vergrootglas nog wat museale restanten te vinden. Een Mullempje hier, een Kemmeltje daar, een Pajotse parochie. Ontdekkingsreizigers melden het bestaan van verborgen natuurgebieden waar geen enkele fermette zou groeien. Ik wil hen geloven.

Maar ik wil vooral mijn eigen ogen en oren geloven. Waarheen ik ook schouw, ik zie monsters. In 1969 lag meer dan negentig procent van de vergunde verkavelingen buiten de schuchter voorgestelde woonzones en de verkavelingen waren toen nog onbeperkt in de tijd. De wet is vlug gewijzigd, maar het was al te laat. Ik bezie dus Vlaanderen en kerm. Want daar is het niet bij gebleven. De teugelloze verkavelingsdrift werd moeiteloos ingehaald door de fixering op be drijfszones. Ieder dorp zijn ambachtelijke zone! Wat zei ik? Ieder gehucht. Iedere straat. Ieder perceel. En wat is een gemeente zonder sporthal? Zonder cultureel centrum? Zonder concertzaal? Zonder shopping mall?

Tussen al die burchten van postindustriële beschaving daveren de ontploffingsmotoren heen en weer, vroeger ondergebracht in Toyota's, vandaag in suv's. Ga in een doodgewone Vlaamse dorpsstraat staan. Het geraas is oorverdovend, de stoet auto's eindeloos, van ’s morgens vroeg tot 's avonds laat, Vlaanderen kent geen genade. In mijn Brusselse stadsstraat krijg ik stukken minder decibels te verwerken dan langs een steenweg tussen twee vredige Vlaamse dorpkens.

Ik ben nu al zover gevorderd dat mij de uitspattingen van de bouwstijlen niet meer hinderen. Goesting is koop, zegt een oud, Vlaams spreekwoord. Ik wil er genoegen mee nemen. Maar moet dat dan echt overal? Waarom moet ik mij op ieder ogenblik vanuit iedere ooghoek laten pijnigen?

En was het alleen dat. Maar er is zoveel meer dan het gebrutaliseerde schoonheidsbesef van de sensibele dichter.

Hoe zou het bijvoorbeeld komen dat bij ons het verkeer in verhouding twee keer meer mensen doodt dan in Nederland? We bouwen als gekken rotondes, we leveren bovenmenselijke inspanningen om fietspaden aan te leggen. Kom me niet vertellen dat de Nederlanders zich minder als piraten gedragen dan wij, ze hebben daar een traditie sinds de zeventiende eeuw. Bovendien is Nederland even dichtbevolkt als Vlaanderen, ook daaraan kan het niet liggen. Het is heel simpel. Het ligt aan het bouwen. Al een eeuw lang nu bouwen de Nederlanders niet overal waar ze het willen. Dus hopsen ze niet voortdurend als overspannen sprinkhanen van hot naar haar.

"Lintbebouwing? Watsechchu? Laaikt me leuk FLaams."

Almere is een verschrikking, maar weet wel dat een kind er naar school kan zonder één enkele auto te kruisen. En Almere is geen uitzondering.

Fietsers overhoop rijden? Daarvoor moet je in Nederland een fanatieke doordouwer zijn: eerst hobbel je een berm over, vervolgens mik je tussen twee bomen, effe nog een sloot oversteken en ha, eindelijk, daar ben je bij de fietser die je wilt vermoorden.

Een potsierlijk nadeel nu. Hoeveel meter rioolbuis zou Aquafin moeten leggen om iedere woning in Vlaanderen aan te sluiten? En hoeveel meter zou dat in Nederland zijn? Ik gok op een verhouding twee tegen één in het nadeel van Vlaanderen.

Of dit. Hoe ga je in Vlaanderen openbaar vervoer bij de burger brengen? Openbaar vervoer moet het hebben van gebalde gebieden, iedere eerstejaars planologie kan het je vertellen. We hebben onze bebouwing uitgerafeld en hopeloos versnipperd. In de lagere school leerde ik dat België het dichtste spoorwegnet ter wereld bezat. En dan vermeldden ze nog niet eens de boerentrams die ieder dorp met ieder dorp verbonden. Op eigen bedding. Die schitterende netwerken hebben onze bewindslieden systematisch ontmanteld.

Hoe ze bij De Lijn ook proberen het openbaar vervoer opnieuw te organiseren, het zal niet lukken omdat het niet kan lukken en het kan niet lukken omdat we de zaak zelf naar de duivel hebben geholpen. Zelfs met light rail, trouwens gewoon een duur woord voor de ouwe, trouwe, efficiënte, doch weggehoonde boerentram, zal het niet gaan.

Want Vlaanderen heeft zichzelf kapot gemaakt door koppig en moedwillig overal te bouwen.

Het Vlaamse dorp heeft zichzelf kapot gemaakt door koppig en moedwillig overal te bouwen.

Het Vlaamse platteland heeft zichzelf dichtgemetseld, dichtgebetonneerd, masochistisch doorkerfd, het heeft zijn lieflijkste landschappen doodverkaveld, het heeft zichzelf vrijwillig geprangd in een dwangbuis van motorgeraas.

Vlaanderen is voorgoed kapot en het is zijn eigen, domme schuld.

De bejaarde Anton van Wilderode zei me kort voor zijn dood: "Onze dorpen zijn afgrijselijk verminkt." Ik zag iets van wanhoop in zijn goede ogen. Hij was mild, de grote dichter, veel te mild.

naam: 

Geert Van Istendael in Ruimte

Tags: 

Gespot categorie: