Wachten op krachtig, duurzaam mobiliteitsbeleid
- Tags:
- Nieuwsrubriek:
Na de commotie over het Antwerpse referendum is de vraag hoe grote infrastructuurprojecten beter kunnen worden aangepakt. Zo kan het niet verder.
Georges Allaert & Johan De Mol
- Georges Allaert is hoogleraar Ruimtelijke Economie en Ruimtelijke Planning aan de UGent en voorzitter van het Instituut voor Duurzame Mobiliteit (UGent).
- Johan De Mol is directeur aan het Instituut voor Duurzame Mobiliteit.
- Zij stellen dat voor grote infrastructuurprojecten een goed onderbouwd actieplan ontbreekt.
- Zij pleiten ervoor dat de neuzen inzake infrastructuur, mobiliteit, ruimtelijke ordening en milieu in dezelfde richting wijzen.
Vlaanderen verdient een beter mobiliteitsbeleid, en de ruimtelijke context - met zijn fijnmazige basisinfrastructuur (weg, spoor en water) laat dat ook toe. Maar dan moeten de neuzen van de verantwoordelijken voor infrastructuurbeleid, mobiliteitsbeleid, ruimtelijk beleid en milieubeleid dringend in dezelfde richting worden gezet.
De voorbije jaren wordt voor het uitwerken van mobiliteitsplannen gewerkt met scenario's. Dat zijn perspectieven, die zich maatschappelijk over een lange periode manifesteren en die een invloed hebben op ruimte, mobiliteit, milieu, en economie. Met de studies die nu zijn uitgewerkt voor het nieuwe Mobiliteitsplan Vlaanderen en het nieuwe Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kan men weinig of niks doen. De gebruikte benaderingen zijn te algemeen, te vaag en niet vertaald naar de Vlaamse maatschappelijk-ruimtelijke context.
Daarenboven is de scenariobenadering voor het nieuwe Ruimtelijk Structuurplan compleet anders uitgewerkt dan die voor het Mobiliteitsplan. Ook de Mobiliteitsraad (MORA) laat in zijn ontwerpadvies over het Mobiliteitsplan van deze maand weten dat er nog veel voorbereidend onderzoek nodig is en dat het uitgevoerd studiewerk erg onvolledig is. De studie over de scenario's somt hoogstens wat algemene externe factoren op die de mobiliteit kunnen beïnvloeden. Van een scenario-invulling voor het infrastructuurvraagstuk (weg/spoor/water/ondergrond en de ermee gepaard gaande keuze van transportwijzen) is geen sprake, laat staan hoe de politiek daarmee zal omgaan.
INFRASTRUCTUUR-BELEID
We zitten nog heel ver van een goed onderbouwd actieplan, zijnde het nieuwe mobiliteitsplan Vlaanderen. Het huidige mobiliteitsplan dateert van september 2001 en is hopeloos voorbijgestreefd. Ook bij de voorbereidingen voor het nieuwe Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2020-2050) blijkt dat we met de studienota over de scenario's die moeten dienen voor dit plan weinig vooruitkomen om tot een actieplan te komen. In de 'samenvatting visienota ruimtegebruik en ruimtebeslag 2020-2050' die de administratie (ARP) heeft gemaakt, vinden we wel een aantal goede aanknopingspunten voor het uitwerken van degelijke scenario's, maar ook daar moet nog veel studiewerk en onderbouwing gebeuren.
Meer verdiepende scenario's vinden we wel in het langetermijnperspectief van MIRA-S (een beschrijving van hoe het milieu in Vlaanderen zich kan ontwikkelen onder diverse beleidsomstandigheden) dat in de steigers staat. Alleen haalt geen enkel scenario de vooropgestelde emissiedoelstellingen.
Opvallend bij deze scenario-aanpak is dat Vlaanderen geen traditie heeft om te werken met scenario's en men liever 'over de grenzen kijkt' wat daaromtrent gebeurt.
Het is duidelijk dat men, wat betreft de beleidsvelden die sterk gericht zijn op de ontwikkeling en ordening op het Vlaams grondgebied, zo snel mogelijk op één lijn moet gaan zitten en men de scenario's niet alleen eerst moet stroomlijnen, maar daarenboven ook op het terrein moet vertalen.
Het gaat maatschappelijk altijd om het genereren van ruimtelijke kwaliteit, milieukwaliteit en mobiliteitskwaliteit. Kortom, om levenskwaliteit. Daarop moet de 'Vlaamse' ruimtelijke context, de Vlaamse maatschappelijke structuur en de economie die we verder voor 2020 en later willen uitzetten, worden op getransformeerd. Kortom, goed uitgebouwde en op elkaar afgestemde scenario's zijn een effectief hulpmiddel om tot goed onderbouwde beleidskeuzes te komen. Daarenboven moeten we de kennis die bij vele burgergroeperingen (het 'middenveld') aanwezig is, veel beter aanspreken en benutten.
Een eerste serieuze stap is het mobiliteitsbeleid en de mobiliteitsplanningsinstrumenten afstemmen op het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke planningsinstrumenten en vice versa. Kortom, de uitwerking van een ruimtelijk plan voor Vlaanderen moet samengaan met de uitwerking van een mobiliteitsplan voor Vlaanderen.
TOPRANKING
Vooraf moeten beleidsafspraken bepalen wat deze eerste 'samenwerking' kan en moet inhouden, anders blijft men oeverloos aanmodderen. De planning van infrastructuur is het cement om tot een consensus te komen. Daarom is al vaak een pleidooi gehouden om tot een topranking van grote infrastructuurprojecten in Vlaanderen te komen, waarin ook een 'degelijk' programma en proces van budgettering wordt weergegeven. Nadien wordt de haalbaarheid ook in het 'brede' milieubeleidsveld afgetast.
Deze vernieuwde aanpak moet ook doorwerken in de respectieve administraties die nog te veel verticaal als bastions werken, zo niet blijft men ter plaatse trappelen. Dat behelst ook dat de lopende planningsprocessen die op de sporen zijn gezet voor de uitwerking van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en het nieuw Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen op korte termijn worden bijgestuurd. Anders blijft men nog vele jaren vastzitten in het moeras. De noodzakelijke grote infrastructuurprojecten worden dan niet gerealiseerd, tenzij men ze nogal dictatoriaal via nooddecreten of andere instrumenten toch doordrukt. Dat kan alleen nog meer frustratie en aversie jegens de politiek oproepen.
Georges Allaert & Johan De Mol
De Tijd 27-10-09




