De Vlaamse industrie is zuinig, maar nog lang niet proper

kade rechteroever

Maak van CO2  een grondstof

De industrie in Vlaanderen heeft haar CO2-voetafdruk in 25 jaar tijd fors kunnen verkleinen, met ruim 20 procent. Maar dat is klein bier ­vergeleken met de uitdaging – of moeten we zeggen verplichting? – die haar nog wacht.

 

Is de Vlaamse industrie nu écht werk aan het maken van een groene omslag, of moddert ze maar wat aan? Wie daar het antwoord op wil, moet een heuse ronde van Vlaanderen op touw zetten. En dus staken we ons licht op in de haven van Gent, reden we langs het Albertkanaal en eindigden we via de haven van Antwerpen bij een onderzoeksinstituut te midden van de Kempense bossen.

‘We zijn zoekende.’ Zo vat Wim Soetaert het samen. Soetaert, prof aan de UGent en algemeen directeur van de Bio Base Pilot Plant in de Gentse haven, is in Vlaanderen een van de sleutelfiguren als het gaat over de zoektocht naar duurzame grondstoffen, productieprocessen en eindproducten.

Dat de CO2-uitstoot van de Vlaamse industrie vandaag per eenheid productie een stuk lager ligt dan in 1990, komt vooral omdat flink is beknibbeld op de energie die nodig was om allerhande productie-installaties te verwarmen of te koelen. Er waren ook enkele quick wins, omdat een paar Vlaamse chemiebedrijven zodanig ingrepen op hun productieprocessen dat ze het verbruik van enkele zeer zware broeikasgassen in zeer korte tijd drastisch konden verlagen.

‘Tien jaar geleden werd ik nog bijna buitengedragen toen ik in een zeer groot Belgisch chemiebedrijf pleitte voor biogrondstoffen. Vandaag zijn ze er zelf mee bezig’
Wim Soetaert Algemeen directeur Bio Base Pilot Plant

 

Maar in absolute volumes blijkt het bijzonder moeilijk om de CO2-uitstoot naar beneden te krijgen. Hij daalt relatief wel, maar de productie neemt ook toe. Gevolg: de uitstoot schommelt al jaren tussen 30 en 33 megaton CO2.

De reducties die tot nu toe zijn gerealiseerd, zijn het laaghangende fruit dat geplukt is, zegt Soetaert. Omdat voor industriële bedrijven besparen op het energieverbruik de makkelijkste manier is om de CO2-uitstoot terug te dringen. ‘Maar op een dag is dat fruit wel allemaal geplukt’, waarschuwt hij.

Brigitte Borgmans van het Vlaams departement Leefmilieu, Natuur en Energie beaamt: ‘De Vlaamse basisindustrie is in vergelijking met de rest van Europa en de wereld al bijzonder energie-efficiënt, waardoor het potentieel om de energie-efficiëntie van de bestaande installaties nog te verbeteren minder groot is dan elders in Europa.’ De CO2-voetafdruk van de Vlaamse industrie tegen 2030 verder fors verlagen is dus alleen haalbaar als prioriteit gegeven wordt aan vernieuwende productie-installaties, zegt Borgmans.

 

Van CO2 naar bouwsteen

Concreet gaat het dan over fabrieken die CO2 niet langer zomaar de lucht inblazen, maar een tweede leven geven als grondstof voor kunststoffen of bouwmaterialen. Volgens een eerste grove inschatting kan de Vlaamse industrie haar uitstoot daardoor met 12 miljoen megaton CO2 verkleinen, aldus Borgmans.

Met zijn grote chemie-industrie in en rond de Antwerpse haven en een gigantische staalfabriek in de Gentse haven lijkt Vlaanderen bijzonder geschikt als proeftuin voor de nieuwe techniek.

Maar anno 2017 is het de Limburgse kmo Orbix die het voortouw neemt. Aan het Albertkanaal recycleert die metaalafval van de staalindustrie. Met de hulp van het Vito in Mol (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) is het bedrijf erin geslaagd een veel duurzamere bouwsteen te maken dan de klassieke betonsteen. Terwijl de productie van die laatste heel wat energie vergt en verantwoordelijk is voor een aanzienlijke CO2-uitstoot, is Orbix erin geslaagd bouwstenen te maken die net metaalafval en CO2 als grondstof hebben.

In absolute volumes is het zeer moeilijk de CO2-uitstoot naar beneden te krijgen. Relatief gezien daalt hij, maar de productie stijgt

 

De geesten rijpen

Duidt de pioniersrol van een kleiner Limburgs bedrijf erop dat de grote industriële spelers minder wakker liggen van dit soort vernieuwingen? De meningen zijn verdeeld.

De ervaring heeft Wim Soetaert alvast geleerd dat, sinds de start van zijn pilootfabriek in de Gentse haven in 2009, het vooral kleinere en innovatieve bedrijven zijn die bij hem aankloppen om producten of productieprocessen te ontwikkelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare grondstoffen. Maar hij zegt ook dat de jongste tijd in verscheidene grote industriële bedrijven de geesten gerijpt zijn.

‘Tien jaar geleden werd ik nog bijna buitengedragen toen ik tijdens een voordracht in een zeer groot Belgisch chemiebedrijf ervoor pleitte om biogrondstoffen in plaats van aardolie en aardgas te gebruiken om plastics te maken. Vandaag zijn ze daar zelf druk mee bezig.’

Isolatie

Volgens de ervaring van Walter Eevers, onderzoeksdirecteur bij Vito, is de industrie er wel van doordrongen. Maar hij wijst op de aard van de chemiebedrijven in ons land. Het zijn veelal louter productiebedrijven, met weinig eigen ontwikkelingsmogelijkheden en beslissingscentra die in het buitenland liggen. Bijkomend probleem: zeker in de chemie zijn dat meestal fabrieken waarin een hele reeks productie-installaties aan elkaar is gekoppeld. Waardoor het niet vanzelfsprekend is een productieproces ingrijpend te veranderen. ‘Bedrijven moeten bijzonder zeker zijn dat alles daarna goed zal blijven werken.’

Bij Vito heeft daarom de zoektocht naar grondstofzuinige productieprocessen alvast grote prioriteit. De interesse in de industrie is bovendien zeer groot, stelt Walter Eevers.

Rijst de vraag of de CO2-uitstoot van de chemie-industrie sterk kan dalen als olie geschrapt wordt als grondstof voor kunststoffen. Els Brouwers van Essenscia, de federatie van de Belgische chemiebedrijven, gelooft van niet. ‘Slechts 13 procent van alle olie die in ons land wordt verbruikt, is bestemd voor de aanmaak van kunststoffen. De CO2-uitstoot van de chemie-industrie schommelt al jaren rond de 10 procent. Daar komt nog bij dat kunststoffen ook kunnen helpen om de CO2-uitstoot te drukken – denk aan isolatiematerialen.’

 

Een groene ‘petfles’

 

Nochtans staat in het noorden van de Antwerpse haven alvast een groot project op stapel om plastics te maken uit biogrondstoffen. Er zal een soort bioplastic worden gemaakt dat de nieuwe standaard moet worden voor drankverpakking. Hét alternatief voor de uit aardolie gemaakte petfles dus. BASF Antwerpen, het grootste petrochemiebedrijf in ons land, plant daartoe samen met het Nederlandse biochemiebedrijf Avantium een van de allereerste grote productie-installaties in de wereld.

En er is nog een tweede vaandeldrager van de Vlaamse industrie die zich opmaakt om de bakens te verzetten. Het gaat om de Gentse staalfabriek van ArcelorMittal. Ze zoekt naar een nieuwe, milieuvriendelijker verwerking van de gigantische volumes hoogovengas die vrijkomen als staal geproduceerd wordt. Vandaag worden die gassen verbrand in een elektriciteitscentrale, waardoor heel wat CO2 de lucht in wordt geblazen. ArcelorMittal Gent broedt nu op plannen om het hoogovengas om te vormen tot een grondstof voor de chemie-industrie. Dat gebeurt met behulp van bacteriën die op dat hoogovengas groeien.

Het illustreert volgens Wim Soetaert welke radicale veranderingen er in de pijplijn zitten als het de industrie echt menens is om de CO2-uitstoot fors te verminderen. ‘Stel je voor: een staalfabriek die ook een chemiebedrijf wordt via een biotechnologisch proces.’

Maar hij waarschuwt voor te hooggespannen verwachtingen. Er zullen nog wel wat jaren overgaan voor een en ander realiteit wordt.

 

Benzeen

 

Bij Vito in Mol weerklinkt net dezelfde waarschuwing, uit de mond van Bert Bouwman. Hij leidt daar het onderzoek naar technologieën om de productie van chemieproducten broeikasgasvrij of -arm te maken.

Het Vlaamse onderzoeksinstituut waagt zich samen met twee Nederlandse onderzoeksinstellingen aan een project dat eveneens een serieuze omwenteling kan veroorzaken in de chemie-industrie. Streefdoel is de aromaten (met benzeen als bekendste) die goed zijn voor 40 procent van de grondstoffen uit die industrie, CO2-loos te maken.

Het onderzoek loopt al sinds 2013. De hoop is nu binnen drie jaar een eerste demofabriek te kunnen bouwen. En hoe dan ook moet het lukken om tegen 2025 CO2-vrije aromaten te produceren op industriële schaal.

‘Want voor de industrie begint de tijd te dringen als ze haar CO2-uitstoot fundamenteel wil verkleinen’, besluit Bouwman.

 

Pascal Sertyn
de Standaard 21-02-2017
http://www.standaard.be/cnt/dmf20170220_02741422

Tags: