‘Economische groei is positief en noodzakelijk’ - ‘We kunnen de nefaste ecologische gevolgen toch niet blijven negeren?’

kade rechteroever

Tegenpolen: Open VLD-politicus Vincent Van Quickenborne & columnist en schrijver Jeroen Olyslaegers

 

De pragmatische politicus zit strak in het pak, de idealistische schrijver draagt kralenkettingen en wijde kleren. ‘Politieke ideologie interesseert me niet. Alle goede ideeën om de samenleving vooruit te helpen zijn welkom’, zegt Jeroen Olyslaegers. ‘Politieke partijen zijn geen bron van nieuwe ideeën meer’, vindt Vincent Van Quickenborne. Een debat in zes ronden over de eeuw van de geëngageerde burger.

‘Het bewustzijn van de mensen is aan het veranderen’, zegt schrijver Jeroen Olyslaegers. ‘Dat kun je niet meer negeren.’ De Kortrijkse burgemeester Vincent Van Quickenborne kijkt hem gefascineerd aan. De twee hebben elkaar nog nooit eerder ontmoet en zijn duidelijk nieuwsgierig naar elkaars ideeën en plannen. Olyslaegers vertelt over Mount Olympus, een 24 uur durende opera die hij met Jan Fabre heeft gemaakt. ‘Daarvoor heb ik alle Griekse tragedies gelezen’, zegt hij. ‘Toen een journaliste me tijdens de repetities vroeg of ik ze kon samenvatten, vond ik dat eerst een onzinnige vraag. Maar plots wist ik het antwoord: er staat een rekening open en die moet worden betaald. Dat is natuurlijk heel actueel: vandaag staat er door de klimaatopwarming een enorme ecologische rekening open. Maar wat doet de Oedipus van onze tijd? Hij wacht af en stuurt ondertussen nog maar eens experts het veld in om poolshoogte te nemen.’

Van Quickenborne luistert, denkt na en zegt dan: ‘Vind jij de klimaatopwarming echt het grootste probleem? Ik maak me meer zorgen over het feit dat ons onderwijs de nieuwe evoluties in de samenleving niet kan bijhouden.’ Nu is het aan Olyslaegers om geïntrigeerd naar zijn gesprekspartner te kijken.

Ronde 1: cynisme vs. engagement

VINCENT VAN QUICKENBORNE: Ik was nog maar net afgestudeerd toen ik mee aan de wieg stond van TriAngel, een burgerbeweging die deel uitmaakte van het ‘witte protest’ na de zaak-Dutroux. In die tijd heb ik gezien hoe de kiemen werden gelegd voor een paar grote politieke veranderingen, zoals de geslaagde politiehervorming. We hadden het toen ook al over de mogelijkheid van een netwerksamenleving waarbij er los van de bestaande politieke partijen nieuwe verbanden en engagementen zouden ontstaan.

JEROEN OLYSLAEGERS: Eerlijk gezegd, ik keek nogal meewarig naar die protestbeweging, en de Witte Mars vond ik één grote ‘cinema’. In die tijd was ik nog echt cynisch. Dat is pas veranderd toen ik eind jaren negentig de andersglobalisten bezig zag. Toen besefte ik dat cynisme alleen leuk is aan de toog, maar dat je er uiteindelijk niets mee opschiet. Later is mijn engagement aangescherpt door Occupy Wallstreet. Dat was echt een kantelmoment. De ideeën die toen zijn ontstaan, werken nog altijd door. In een beweging zoals Hart boven Hard, bijvoorbeeld, maar ook in ontelbare andere initiatieven. Ik weet niet waartoe dat allemaal zal leiden, maar het valt zeker niet meer te stoppen.

VAN QUICKENBORNE: Er is inderdaad een nieuw soort engagement ontstaan. Zeker in de steden. De vraag is of dat op termijn de politieke partijen zal vervangen. Vandaag bieden partijen nog altijd een vorm van stabiliteit en organisatie, maar ze zijn inderdaad steeds minder een bron van nieuwe ideeën.

OLYSLAEGERS: De burgers hebben zich toch allang losgemaakt van politieke partijen?

VAN QUICKENBORNE: Toch geloof ik niet dat ze helemaal zullen verdwijnen. Er is wel degelijk een toekomst voor partijen die bereid zijn dat nieuwe engagement in de samenleving te ondersteunen.

OLYSLAEGERS: Nochtans gaat het bij de organisatie van Geefpleinen (markten waar voorbijgangers gratis spullen kunnen afhalen, nvdr.) of Hart boven Hard nooit over iemands politieke kleur. Die initiatieven staan compleet los van partijpolitiek.

VAN QUICKENBORNE: Ja, maar de politiek kan ze wel een platform bieden. In Kortrijk zijn er bijvoorbeeld mensen die tijdens de vakantie zelf kinderopvang willen organiseren, en wij stellen hun een ruimte ter beschikking. Zulke dingen gebeuren nu nog te weinig. Wellicht omdat politici de kennis en kunde van de mensen te veel onderschatten en er soms zelfs bang voor zijn. Nochtans zijn er veel burgers die de politiek iets zouden kunnen bijbrengen. Zoals de burgerorganisatie Ringland, die voor de overkapping van de Antwerpse Ring pleit. Zij weten waarover ze praten. Moeten we hen daarom zomaar gelijk geven? Natuurlijk niet. Maar we moeten wel met hen in debat gaan.

OLYSLAEGERS: Als het Antwerpse stadsbestuur van bij het begin had erkend dat Ringland een droom is voor de stad en er zijn schouders onder had gezet, waren de volgende verkiezingen al gewonnen en lagen de oppositiepartijen nu op apegapen. Maar dat is dus niet gebeurd. Al zit de schrik er bij de politici wel goed in. Logisch ook: als Ringland een manifestatie organiseert, komen er meteen 20.000 mensen opdagen. Niet alleen activisten en diehards, maar ook veel moeders met kinderen. Bart De Wever heeft zijn afspraak met de 21e eeuw duidelijk gemist.

VAN QUICKENBORNE: Dit wordt de eeuw van de geëngageerde burger. Alleen politici die het debat durven aan te gaan en zich kwetsbaar opstellen, hebben nog een toekomst.

Ronde 2: vrije markt vs. duurzaamheid

OLYSLAEGERS: Doordat de markt vrij spel krijgt, moet de gewone burger keer op keer het gelag betalen. Hoeveel keer hebben we ondertussen al niet voor de bankencrisis betaald? Op den duur wordt daardoor de geloofwaardigheid van de democratie zwaar aangetast.

VAN QUICKENBORNE: Je doet alsof de markt iets is wat we hebben gecreëerd. Dat klopt niet. Marktdenken zit in onze genen. Dat was al zo bij de oermensen. Je ziet het ook bij kinderen die op de speelplaats knikkers ruilen.

OLYSLAEGERS: Ik besef wel dat de vrije markt een motor van vooruitgang kan zijn, maar er moeten wel grenzen aan worden gesteld.

VAN QUICKENBORNE: Natuurlijk. We moeten alle vormen van machtsconcentratie en monopolievorming bestrijden, net als het ‘vriendjeskapitalisme’ – zoals Paul De Grauwe dat noemt – waarbij er achter de schermen van alles wordt bedisseld. Daarnaast moeten we iets doen tegen de negatieve ecologische gevolgen van de vrije markt, want daar gaan we nu vaak te laks mee om. Ik ben dus zeker voorstander van een begrenzing van de vrije markt, maar de gecorrigeerde markt blijft in mijn ogen wel het minst slechte systeem.

OLYSLAEGERS: Ontbreekt het politici ook niet aan moed? Waarom willen ze bijvoorbeeld niet aan de bedrijfswagens raken?

VAN QUICKENBORNE: Het systeem van de bedrijfswagens is inderdaad niet verstandig, want het moedigt het autogebruik aan. Maar vandaag tempert het ook de hoge loonkosten, en dat is toch een voordeel voor de werknemers. Als we de files echt willen oplossen, kan dat op een andere manier: door rekeningrijden in te voeren. Het heeft zijn nut al bewezen, onder meer in Stockholm en Londen, maar toch durft de Belgische politiek er nog niet voor te gaan. Ook in mijn partij zijn daar twijfels over.

OLYSLAEGERS: Op den duur zal iemand toch het lef moeten hebben om iets aan de luchtkwaliteit te doen, want de situatie wordt alleen maar erger. Maar men is blijkbaar zo verknocht aan economische groei dat de problemen niet worden aangepakt.

VAN QUICKENBORNE: Groei is iets positiefs. De mens heeft altijd al geprobeerd om zijn leefomstandigheden te verbeteren, en we zijn er nog lang niet. Zo weiger ik me erbij neer te leggen dat we altijd met verschrikkelijke ziektes als kanker zullen moeten blijven leven. Dus moeten we niet alleen onderzoeken hoe we ze kunnen vermijden, maar ook proberen efficiënte geneesmiddelen te ontwikkelen. Om dat te kunnen doen, is een groeimodel nodig; anders zijn bedrijven niet bereid te investeren in zulk onderzoek.

OLYSLAEGERS: Daar ben ik natuurlijk niet tegen, maar we kunnen de ecologische gevolgen van economische groei ook niet blijven negeren.

VAN QUICKENBORNE: Ik ben ervan overtuigd dat het ecologische bewustzijn aan het groeien is, zowel bij politici als bij burgers. Er worden ook al heel wat maatregelen genomen om de waterkwaliteit te verbeteren, de ontbossing tegen te gaan en de steden groener te maken. Maar om de klimaatopwarming een halt toe te roepen, moet de hele wereld mee willen.

OLYSLAEGERS: Ook bij ons durven politici dat nog geen prioriteit te noemen. Een voorbeeld: onlangs verhoogde de regering nog de prijs van gas en elektriciteit. Dat zou je eigenlijk kunnen zien als een ecobelasting, maar dat krijgen we natuurlijk niet te horen van de regering. Nee, ze zegt dat het een manier is om de werkgeversbijdragen te laten zakken. De ecologie centraal stellen in de economie? Niemand bij de beleidspartijen kan daarvoor de moed opbrengen.

Ronde 3: arm vs. rijk

VAN QUICKENBORNE: Armoede blijft een hardnekkig probleem, en ik vind de gelatenheid waarmee de politiek daar vaak naar kijkt haast crimineel. Maar in Kortrijk hebben we nu de oplossing gevonden.

OLYSLAEGERS: (verbaasd) U weet hoe u de armoede de wereld uit kunt helpen?

VAN QUICKENBORNE: We zijn toch op de goede weg. We volgen daarvoor een plan dat onze schepen Philippe De Coene met de steun van Frank Vandenbroucke heeft opgesteld. Verborgen armoede is het best op te sporen in de scholen. Als wordt vastgesteld dat een kind wegblijft, ongewassen naar school komt of geen boterhammen mee heeft, gaat iemand bij dat gezin langs. Dan komen de meest uiteenlopende problemen aan de oppervlakte: van werkloosheid tot een te hoge energiefactuur doordat het huis niet geïsoleerd is. Daar proberen we dan iets aan te doen. Op maat van het gezin. Het resultaat is dat onze armoedecijfers voor het eerst in jaren met meer dan twee procent zijn gedaald.

OLYSLAEGERS: Echt? Straf!

VAN QUICKENBORNE: De moraal van het verhaal is dat armoede niet kan worden opgelost door de regeringen in Brussel.

OLYSLAEGERS: Dat denk ik ook niet. Toen we destijds soepacties organiseerden op de Groenplaats en daarna met Geefpleinen begonnen, werd ik uitgenodigd op het kabinet van Ingrid Lieten (SP.A), die toen Vlaams minister van Armoedebestrijding was. Ter voorbereiding stuurden haar medewerkers me een pak rapporten over armoede op. Ik kon er niet van slapen. Sindsdien ben ik ervan overtuigd dat iemand die op eigen kracht uit de armoede kan ontsnappen niet minder dan een held is.

VAN QUICKENBORNE: Heeft dat gesprek op het kabinet nog iets opgeleverd?

OLYSLAEGERS: Het liep al snel vast. Geefpleinen ontstaan van onderuit en zouden niet aanslaan mocht de overheid ze organiseren. Dan zou er meteen een geloofwaardigheidsprobleem zijn. Bovendien is de afstand tussen de ministers en de mensen om wie het gaat veel te groot. Zelf heb ik pas ten volle beseft wat het betekent om arm te zijn toen ik voor het eerst naar de Wereldarmoededag ging en er armen zelf over hun situatie hoorde vertellen.

Ronde 4: kunst vs. economie

OLYSLAEGERS: Vorig jaar heeft de stad Tongeren een beeld gekocht van Nadia Naveau, een vriendin van mij. Bij de onthulling zei burgemeester Patrick Dewael (Open VLD) dat er in tijden van crisis net meer in kunst en cultuur moet worden geïnvesteerd. Dat was geen gemakkelijke boodschap voor het publiek. Zijn partijgenoot Sven Gatz, die toen pas een paar dagen Vlaams minister van Cultuur was, negeerde die uitspraak stijlvol. (lacht)

VAN QUICKENBORNE: Dewael is natuurlijk zelf nog minister van Cultuur geweest.

OLYSLAEGERS: Hij had in elk geval gelijk. Het maatschappelijk belang van kunst wordt vaak onderschat. Als kunstenaar voel ik me niet verheven boven de rest van de mensen, maar maak ik deel uit van de samenleving. Kunst hoeft niets te doen, maar ze kan wel helpen om een bewustzijn op gang te brengen. Antwerpen 93 heeft bijvoorbeeld een enorme impact op de stad gehad. Echt fenomenaal. Wijlen Eric Antonis (voormalig CD&V-schepen van Cultuur en intendant van Antwerpen 93, nvdr.) verdient een standbeeld.

VAN QUICKENBORNE: Hetzelfde is gebeurd op amper twintig kilometer van Kortrijk, in Rijsel. Voor Rijsel in 2004 Culturele Hoofdstad van Europa werd, was de stad totaal verpauperd. Vandaag is het een bloeiende stad. Ik geloof echt dat kunst in de publieke ruimte voor een heel positieve sfeer kan zorgen. Daar zetten we nu ook in Kortrijk op in, met onder meer Flux, onze kunstroute langs de Leie.

OLYSLAEGERS: En kunst levert nog iets op ook. Sommige politici ontkennen dat graag, maar kunst maakt wel degelijk deel uit van onze economie.

VAN QUICKENBORNE: Dat zijn in mijn ogen toch twee aparte werelden. In de economie draait het vooral rond profit and purpose, terwijl kunstenaars in de eerste plaats met zingeving bezig zijn. Al weet ik natuurlijk ook wel dat ze hun boterham moeten verdienen. Wel moet de muur tussen kunst en economie poreuzer worden gemaakt. In Kortrijk hebben mijn voorgangers destijds het Buda-kunsteneiland gecreëerd, waar podiumkunst wordt gemaakt die overal in Europa wordt getoond. Niet alleen zorgt dat voor een open sfeer in de stad, het gaat ook de braindrain naar het centrum van het land tegen omdat het Kortrijk aantrekkelijker maakt voor jonge, kritische mensen.

OLYSLAEGERS: Ik ben ervoor dat kunsthuizen hun ramen een beetje openzetten. Dan kan zo’n huis de stad beïnvloeden, en omgekeerd. Het is niet omdat wij met kunst bezig zijn, dat we de waarheid in pacht hebben. Dus is het goed om het debat aan te gaan met politici en ondernemers. Al moet je er als kunstenaar ook altijd voor kunnen kiezen om daar niet aan mee te doen.

Ronde 5: korte termijn vs. lange termijn

OLYSLAEGERS: Welke politieke kleur of ideologie iemand heeft, vind ik niet interessant. Ik wil weten wie ideeën heeft die onze samenleving kunnen vooruithelpen. Of dat een socialist, een liberaal of een N-VA’er is, dat doet er niet toe. We zitten in tijdnood en dus zijn alle goede ideeën welkom. In mijn ogen zijn er twee soorten politici: zij die op korte termijn werken, en zij die op lange termijn denken.

VAN QUICKENBORNE: Daar zit iets in. Er is alleen nog aandacht voor het incident van vandaag en de krant van morgen. Ik begrijp dat mensen graag lezen over conflicten tussen politici, maar de grote debatten over fiscaliteit, sociale zekerheid of ecologie blijven de essentie. Toch concentreren de media zich haast uitsluitend op vluchtig nieuws en veel politici doen daar gretig aan mee. Zelf wilde ik vroeger ook veel in de media komen, maar ondertussen weet ik dat je dat beter doseert. Mijn partijgenote Maggie De Block heeft al bewezen dat je populair kunt zijn zonder de hele tijd op te duiken in de media.

OLYSLAEGERS: Het probleem is dat de media hun rol als poortwachter niet langer op een goede manier vervullen. Ze brengen de grote thema’s niet meer tot bij de mensen en daardoor verschraalt het publieke debat. Daartegenover staat dat de kritische stemmen die zich via de sociale media laten horen steeds belangrijker worden. Een uur nadat Guy Verhofstadt in het Europees Parlement naar Alexis Tsipras had uitgehaald, werd er al getwitterd over zijn zakelijke belangen in Griekenland. Onderzoeksjournalisten hebben we daarvoor al niet meer nodig. Op dit moment zitten we nog in een overgangsperiode, het valt niet te voorspellen welke impact de sociale media over tien jaar zullen hebben.

VAN QUICKENBORNE: Ik vrees in elk geval dat de snelheid waarmee de aandacht van het ene incident naar het andere verschuift, niet meer af te remmen valt.

OLYSLAEGERS: Ja, als het niet snel gaat, is het niet meer interessant. Zo werd ik in 2011 al een paar maanden na het ontstaan van Occupy Wallstreet opgebeld door journalisten die wilden weten waarom de revolutie niet gelukt was. Zoiets heeft natuurlijk veel meer tijd nodig. Vandaag zijn de ideeën van Occupy nog altijd in volle ontwikkeling en zijn de indignado’s aan de macht in de twee grootste steden van Spanje.

Ronde 6: Wetstraat vs. stadhuis

VAN QUICKENBORNE: Burgemeester worden is een echte aanrader. (lacht) Ik kan in Kortrijk meer realiseren dan ik als minister in Brussel kon. In een stad kun je sneller beslissingen nemen en die ook uitvoeren. Dat komt onder meer door de eenvoudige beslissingsstructuur, het duidelijk afgebakende territorium en het feit dat ideologie er minder belangrijk is. Eigenlijk zijn steden grote laboratoria waar je kunt werken volgens het principe van trial-and-error.

OLYSLAEGERS: Dat is ook wat de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber zegt: om de democratie te redden, moeten we ons laten inspireren door het lokale beleid. In een stad wordt er anders bestuurd omdat de mensen de gevolgen van het beleid daar heel goed zien.

VAN QUICKENBORNE: Inderdaad. Dat is op Vlaams en federaal niveau anders. Daar staat de regering vandaag nog te ver van haar burgers – en daardoor werkt ze te traag.

OLYSLAEGERS: De burgers weten ook niet meer wie waarvoor verantwoordelijk is. Als ze bij u aankloppen omdat er problemen zijn met een gewestweg in uw stad, kunt u daar als burgemeester helemaal niets aan doen.

VAN QUICKENBORNE: Dat is een mooi voorbeeld. Als we een zebrapad willen aanleggen op een gewestweg omdat daar een veiligheidsprobleem blijkt te zijn, moeten we eerst advies krijgen uit Brussel en dat kost tijd. Maar als het een stedelijke weg is, schilderen we dat zebrapad à la minute. Daarom pleit ik ervoor om Vlaanderen in te delen in 25 stadsgewesten, die elk door een burgemeester worden geleid. Al die burgemeesters zouden dan de Vlaamse regering vormen. Zo vergezocht is dat niet, want Vlaanderen is eigenlijk op die manier ontstaan: het graafschap Vlaanderen was een verbond van steden die zich tegen de Franse koning verzetten.

OLYSLAEGERS: Dan zullen de Vlaams-nationalisten wel oren naar uw plan hebben. (lacht)

VAN QUICKENBORNE: Dat betwijfel ik toch. (lacht) Hoe dan ook, een systeem van stadsgewesten zou voor de broodnodige decentralisatie kunnen zorgen. Zo zou elke burgemeester middelen krijgen om zelf de armoede onder zijn bevolking tegen te gaan.

OLYSLAEGERS: Decentralisatie is inderdaad heel belangrijk. In Antwerpen loopt het op dat vlak helemaal fout. Het bestuur speelt zich uitsluitend op ’t Schoon Verdiep af en in de districten laat onze burgemeester zich niet zien. Net als zijn voorganger trouwens. Dat is natuurlijk verkeerd: politici moeten de wijken in gaan om de mensen die voor hen hebben gestemd te leren kennen. Dat doet Daniël Termont in Gent blijkbaar, en ook over de Mechelse burgermeester Bart Somers hoor ik goede dingen.

VAN QUICKENBORNE: In Kortrijk doen we dat ook. Met het stadsbestuur gaan we één zondag per maand van deur tot deur om er met de mensen te praten. De stad telt 38.000 postbussen en we slaan er niet één over.

OLYSLAEGERS: Alleen bij ons in Antwerpen is het vieux jeu. Op dat vlak woon ik echt wel in de verkeerde stad.

Met dank aan Kunstencentrum Vooruit voor de gastvrijheid.

DOOR ANN PEUTEMAN EN JOS GEYSELS, FOTO’S PIETER CLICTEUR
Knack 26-08-2015
 

 

Tags: