Eric Corijn: 'Zonder nieuwe maakindustrie redden we het niet'

kade rechteroever

ook toepasbaar op Antwerpen

Niet alle Brusselse laaggeschoolde werkzoekenden kunnen op de luchthaven terecht. Ook niet als ze perfect tweetalig zijn. En evenmin als ze daarbovenop een succesvol traject bij Actiris doorlopen hebben. “Er is een arbeidsmarkt voor laaggeschoolden, ook in Brussel” zegt VUB-professor Eric Corijn in de aanloop naar de verkiezingen. “Alleen moeten we durven het roer om te gooien.”

H et gaat goed met de Brusselse economie, maar niet met de Brusselaars. Het wordt tot vervelens toe herhaald, maar het is daarom niet minder waar en niet minder dramatisch. Sociaal geograaf Eric Corijn vindt de huidige politieke aanpak van de werkloosheid en de Brusselse ongelijkheid onevenwichtig. Sterker nog: men heeft volgens Corijn nooit een alternatief gevonden voor de desindustrialisering.

 Eric Corijn: “De 111.000 laaggeschoolde werklozen zijn vaak migranten die gekomen zijn en nog altijd aankomen op zoek naar werk, maar dan in een economie die er niet meer is. In de jaren 1970 was er in de hoofdstad werk voor zowat 170.000 handarbeiders, meer dan in Luik en meer dan in Antwerpen, goed voor 12 procent van de nationale handenarbeid. Dat wordt wel eens vergeten, omdat die arbeidsplaatsen verspreid waren over heel veel kleine bedrijven: bier, tabak en kachels, om maar een paar voorbeelden te geven. In Brussel was er nooit grootindustrie, maar nu wordt er ook geen geuze meer gebrouwen. De talrijk aanwezige kleine industrie in de kanaalzone is leeggezogen. Met de neergang van die industrie kwam de opgang van de dienstensector en de zorg, gedragen door een grote internationale gemeenschap. Brussel is nu de hoogst geschoolde arbeidsmarkt van Europa. Maar die arbeidsplaatsen worden vooral ingenomen door niet-Brusselaars. En naast de vele hooggeschoolden lopen heel veel laaggeschoolden, aan wie we slechte voorstellen doen.”

De officiële werkgelegenheidspolitiek – Actiris, zeg maar – probeert laaggeschoolden in te schakelen op de luchthaven en in de resterende industrie in Machelen, Zaventem en Diegem. “Ze botsen op twee obstakels,” somt Corijn op. “Het kleinste probleem is het gebrek aan openbaar vervoer. Het openbaar vervoer rijdt ‘s ochtends van de Rand naar Brussel en ‘s avonds van Brussel naar de Rand.”

 “Het grootste probleem is de concurrentie tussen de gewesten: ruim 80 procent van de werknemers van Audi woont niet in het Brussels Gewest. In het tweetalige Brussel moeten zij geen tweede taal leren. De jonge Marokkaan uit Molenbeek die bij een pakjesdienst in Zaventem gaat werken, moet daarentegen wel Nederlands kennen.”

Dat er ook in de dienstensector en de horeca werk is voor laaggeschoolden, is waar, zegt de sociaal geograaf. Kantoren moeten immers schoongemaakt worden, maar vaak is het grijswerk of zwartwerk, in elk geval slecht betaald. Corijn: “Het is niet realistisch dat alle werkzoekenden die een succesvol Actiristraject volgen, werk zullen vinden. In de huidige structuur van de arbeidsmarkt kan geen enkele activering de werkloosheid oplossen. Ik zeg wel eens met een boutade: er worden meer mensen betaald om werklozen te begeleiden dan dat Actiris jaarlijks mensen aan werk helpt.”

Fruit uit het Pajottenland
 Het grote probleem van een stad(sgewest) als Brussel is dat er te weinig nieuwe maakindustrie is, meent Corijn. Het al te snelle antwoord luidt dat die arbeid verplaatst is naar lageloonlanden, en dat daar weinig aan te doen is. Maar er valt wel degelijk wat aan te doen, zo leren we. “Er is een maakindustrie die niet kan verplaatst worden uit de stad. Je moet Brussel zien als één grote werf. Als we het patrimonium aanpakken is er voor vele jaren werk. Maar liefst één derde van de Brusselse huizen beantwoordt niet aan de hedendaagse comfortnormen. Nu halen we Polen en Roemenen naar hier om occasioneel onze huizen op te knappen, en dat terwijl er zoveel laaggeschoolde werklozen zijn.”

Dat is hoe de markteconomie vandaag werkt. En daarnaast is er geen echt economisch ontwikkelingsplan. Corijn is er echter van overtuigd dat de economie van de toekomst veel meer mogelijkheden biedt, maar dan moeten we vandaag nog anticiperen. “De productieketens zijn veel te lang, half afgewerkte producten moeten weer naar een andere fabriek, en van daar weer verder, enzovoort. Vermits mobiliteitskosten in de toekomst alleen maar zullen stijgen, zal een deel van de productie dan ook opnieuw hier kunnen gebeuren. En moeten we ons tussen haakjes ook eens niet afvragen of we niet beter ontbijtfruit kweken in het Pajottenland dan dagelijks kiwi’s uit Nieuw-Zeeland te laten overvliegen?”

Ook de interculturele maatschappij biedt daarbij kansen, denkt de emeritus. “L’Horloge du Sud aan de Kroonlaan in Elsene is geëvolueerd van een restaurant voor Afrikanen tot een Afrikaans restaurant voor iedereen. Een ander voorbeeld is het begin van de Gentsesteenweg in Molenbeek: wordt dat een verlengstuk van de Dansaertstraat of stellen de bestaande winkels zich open voor heel de stad? Zouden die Marokkaanse winkels niet samenwerken met de La Cambre-modeacademie in Elsene om uit te zoeken hoe ze hun markt kunnen verbreden?”

Weinig inventief
 Het stadscentrum, nu geconcentreerd in de Vijfhoek, dijt volgens Corijn uit naar goedkopere oorden als Molenbeek. De vraag is welke bestemming we de tientallen lege industriepanden geven: administratie, lofts of nieuwe creatieve maakindustrie?

 Corijn: “Het veelgeprezen ‘Onderzoek & Ontwikkeling’ is nu quasi-exclusief in handen van de publieke sector, de universiteiten zeg maar. Hoog tijd dat de private sector zich daar ook begint te roeren. Ik geef een voorbeeld: 3D-printen wordt een absolute groei-industrie, die ook banen gaat scheppen voor handarbeiders. Wanneer investeert de privésector in productieateliers in Brussel ? Een tweede voorbeeld: de VUB heeft topexperten in huis voor elektrische auto’s, maar waarom kiezen die niet eerder voor innovatie in openbaar vervoer? En waarom zouden die hoogtechnologische stellen niet in Brussel worden gemaakt? Het is toch zo dat er minder auto’s in de stad moeten en dus meer openbaar vervoer, niet? Waar zitten die durfondernemers die nieuwe bedrijvigheid in de kanaalzone brengen? Waarom heeft Brussel bijvoorbeeld geen echte muziek- of mediaindustrie?”

Het Brussels beleid moet volgens Corijn inzetten op de Brusselaars: “We moeten een nieuw stedelijk samenlevingsmodel ontwerpen. Van Brussel opnieuw een woonstad maken. We bevinden ons immers in een duurzame transitie die ertoe moet leiden dat meer mensen in de stad blijven wonen. En om de stad daarvoor klaar te maken is zeer veel handenarbeid nodig. De stad zelf leefbaar maken is een maakindustrie met een orderboekje voor decennia. Nu verlaten jonge tweeverdieners met kinderen de stad omdat er te veel auto’s zijn en er te weinig groen is.”

 “En de ironie wil dat ze dan vanuit de Rand met de auto naar Brussel komen om er te werken. Hoe hoger opgeleid de werknemer, hoe groter de kans dat hij in het centrum van Brussel werkt en in de Rand woont. En zo maken ze de stad minder leefbaar. Ook dat is Brussel.”

Danny Vileyn en Christophe Degreef
BrusselNieuws 24-04-2014
http://www.brusselnieuws.be/nl/brussel-kiest/eric-corijn-zonder-nieuwe-maakindustrie-redden-we-het-niet

Tags: