Het vervoermiddel van de toekomst staat bij iedereen thuis

kade rechteroever

De correspondenten blikken terug

Voor de derde keer gaf ‘De Standaard’ enkele van zijn journalisten de tijd en de ruimte om dieper te graven in ingrijpende evoluties van deze tijd. Op deze pagina’s wordt de balans opgemaakt: wat wekte verbazing, welke inzichten werden aangereikt en wat kunnen we ermee?

Vandaag: Tom Ysebaert over ‘De fiets’

 

 

 Als we zuivere lucht, veilige en minder drukke wegen willen, moeten we meer ruimte maken voor de fiets. Maar veel mensen zien die nog altijd niet als een ernstig alternatief voor de auto.

 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw nam mijn vader zaliger de fiets naar zijn werk op de luchthaven van Zaventem. Daar werd hij op zijn tweewieler meewarig bekeken, haast als een zonderling. Hij deed het omdat hij graag fietste en er fit door bleef. Maar ook uit overtuiging. ‘We gaan nog eens stikken in al die auto’s’, was een van zijn uitspraken. Dat werd toen op hoongelach onthaald. Het was visionair, weten we vandaag.

Ik heb vaak aan hem teruggedacht in de zes maanden dat ik correspondent ‘De fiets’ was voor deze krant. De missie kwam er op het juiste moment. Onze mobiliteit is helemaal vastgelopen. De files zwellen aan, de luchtkwaliteit is slecht, we moeten klimaatdoelen halen. En het aantal ongevallen blijft onrustwekkend hoog.

Kan de fiets de auto ‘van de weg rijden?’, was een van de slogans van het corrrespondentschap. In de periode dat ik erover heb geschreven, zag en hoorde ik veel dat hoopgevend is. Gedreven mensen, puike initiatieven, veelbelovende technologie. Er is een momentum. De tweewieler staat op doorbreken.

 

Mentale dode hoek

Het regent lang niet zo veel als we denken. Dat zeg ik niet, dat zegt Frank Deboosere, zelf een fervent woon-werkfietser

Maar dan kom je terug uit Kopenhagen of Amsterdam, fietssteden bij uitstek, en zakt de moed je weer in de schoenen (DS 3 juni). We hebben in Vlaanderen minstens dertig jaar achterstand. Wat infrastructuur betreft, maar ook qua mentaliteit en politieke keuzes. Duurzame mobiliteit wordt hier met de mond beleden, maar op straat zie je daar nog weinig van.

We kampen nog met een mentale dode hoek: we zien de fiets niet als een ernstig alternatief in de mobiliteit. Wie hem uitprobeert, is doorgaans aangenaam verrast: dat de afstand wel meevalt, dat de trip niet zo lang duurde als gevreesd. En dat het plezierig is. Het regent ook lang niet zo veel als we denken. Dat zeg ik niet, dat zegt weerman Frank Deboosere, zelf een fervent woon-werkfietser.

In een deel van de jeugdige, hoogopgeleide middenklasse is het hip om te fietsen en is de auto zijn status kwijt. Je scoort daar niet als je met een nieuwe wagen op Facebook pocht. Maar in andere geledingen van de samenleving is dat nog niet het geval.

Dat mag vreemd heten, want de fiets is alomtegenwoordig in Vlaanderen. Ieder gezin heeft er gemiddeld 2,3 in huis. Ga maar eens kijken op een willekeurig jaagpad op een mooie zondag (DS Online 9 juni).

Alleen: die fiets wordt niet gebruikt als het ertoe doet, namelijk iedere doordeweekse dag. Daarvoor nemen we nog altijd te vanzelfsprekend de auto. Voor verplaatsingen tot vijf kilometer kiezen zes op de tien Vlamingen voor de wagen (DS 15 maart).

 

Doodsbedreigingen

Onze autoverknochtheid is decennialang door de overheid in de hand gewerkt. De autosnelweg werd tot in de stadscentra getrokken. Snelwegen maakten afgelegen verkavelingen bereikbaar. Onze voorkeursbehandeling voor bedrijfswagens is uniek in de wereld.

Daar moeten we vanaf. En zoals met alle verslavingen zal dat niet zonder pijnlijk afkicken verlopen. De cold turkey wordt nu al geserveerd. Ga terug naar je brousse, kreeg een Brusselse fietser toegesnauwd toen hij een op het fietspad geparkeerde auto fotografeerde. De fiets-minded Brusselse minister Pascal Smet (SP.A) kreeg doodsbedreigingen.

Praten over fietsen, is praten over ruimtelijke ordening. Wonen we vlak bij onze job, de school, de winkel, het restaurant, dan hoeven we de auto niet te nemen. De beste mobiliteit is nabijheid. Géén mobiliteit dus. Wie naast zijn werk woont en te voet gaat, krijgt geen fiscaal of financieel steuntje. Terwijl net die beloond zou moeten worden.

Hoe onloochenbaar de voordelen van de fiets ook zijn, ‘je kunt hem de mensen niet door de strot duwen’, om het met fietsburgemeester Jan Vermeulen (CD&V) te zeggen (DS 21 oktober). De Vlaming zet zijn stekels op als zijn gedrag gestuurd wordt door de overheid en zijn auto is nog altijd zijn vrijheid. Zelfs als het de vrijheid is om in de file te gaan aanschuiven.

Je moet het anders aanpakken, leerde ik uit mijn gesprekken. ‘Ik geef geen moer om de fiets op zich en heb niets met de subcultuur die errond hangt’, vertrouwde de bekende Kopenhaagse urban designer Mikael Colville-Andersen me toe. ‘Ik ijver ervoor omdat het simpelweg het schoonste en meest efficiënte vervoermiddel is in de stad.’

De Amsterdamse professor Marco te Brömmelstroet wees me erop dat aanhoudend protest van de bevolking tegen de dodelijke verkeersongevallen en tegen de kaalslag van wijken ten gunste van de auto een beleid afgedwongen heeft dat de fiets deed floreren (DS 23 september).

 

En-en werkt niet

Een vijandige tegenstelling tussen fiets en auto is te mijden als je een vruchtbaar mobiliteitsdebat wilt voeren. Het zou evident moeten zijn dat iedereen afwisselend voetganger, fietser, automobilist en openbaarvervoergebruiker is. En in de ene modus voldoende aandacht en respect heeft voor de andere.

Maar helaas: je kunt vandaag haast niet pro-fiets zijn zonder anti-auto te zijn. Om het met een andere Kopenhaagse expert te zeggen: in verkeerskwesties kun je niet iedereen te vriend houden. Het en-enverhaal werkt niet meer. De straat is maar zo breed als ze erbij ligt. Alle soorten weggebruikers erdoor proppen, komt nooit meer goed. Er moeten keuzes gemaakt worden.

De fiets is best sympathiek, hoor, zolang hij maar geen plaats inpalmt van die auto. Doet hij dat wel, dan slaat de sympathie snel om in aversie. Dan wordt hij als een rode lap op een stier achter het stuur.

En toch is het net meer ruimte creëren voor de fiets (en ander duurzaam vervoer, voor alle duidelijkheid) onvermijdelijk geworden, zeker in de steden. De verontwaardiging die de jongste weken in Antwerpen is ontstaan na drie fatale fietsongevallen, is in die zin veelbetekenend. Tijdens de verkiezingen van 2018 en 2019 wordt het kleur bekennen.

We kunnen van een contraproductief fiets-fetisjisme wegblijven door erop te hameren dat het een middel is, geen doel. We willen een leefbare stad of dorp. We willen veilige en minder drukke wegen. We willen zuivere lucht.

Raad eens welk vervoermiddel er voor de realisatie van die doelen als beste zal uitkomen? Hij is goedkoop, gemakkelijk, geruisloos en stoot niets uit. Wacht niet op de zelfrijdende elektrische wagen, het ideale vervoermiddel bestaat al tweehonderd jaar en heet fiets.

Tom Ysebaert

 

Een overzicht van alle stukken van het correspondentschap ‘De fiets’ vindt u via standaard.be/fiets

Voor een overzicht van de volledige reeks, surft u naar standaard.be/correspondenten

 

De Standaard, 2017-10-27

http://www.standaard.be/cnt/dmf20171026_03155714

Tags: