Op zoek naar de Lange Wapper, deel 1: het Lobroekdok
‘Het natuurlijke tracé’
Nog een chance dat ik in een eersteklassewagon was geklommen en dat conducteurs nooit doorhebben dat mijn treinabonnement eigenlijk alleen maar voor tweede klasse geldt. Dat bezorgde me enige ademruimte, want die dag – een grijze dinsdag – bleek Antwerpen ontzettend populair, zodat de tweedeklassewagons allemaal stampende vol zaten.
“Dames en heren, de eersteklassevoertuigen zijn voorbehouden aan reizigers met een eersteklasseticket”, wreef de treinbegeleider het er nog eens in. Voer mij naar Antwerpen, en zorg dat het volk mij verdomme niet komt ambeteren, dacht ik grijnzend.(Wie liever ‘embêteren’ leest: sterf.)
Mottige huizen
Bon, voor de rest is een treinrit naar Antwerpen zoals ongeveer elke andere treinrit door Vlaanderen: moordend saai. In het Waasland, dat zich uitstrekt tussen Gent en Antwerpen, valt er werkelijk geen lol te beleven. De wolven van het Waasland zijn de weg kwijt. Het enige teken van leven was een jeep die geparkeerd stond op een veld ergens tussen Lokeren en Sint-Niklaas.
De stad Lokeren werd zelfs niet aangekondigd door de conducteur, alsof hij niemand het idee wou geven om dáár af te stappen. Maar waarom zou iemand dat doen? Lokeren is lelijk. Heeft burgemeester Filip Anthuenis (Open Vld) of één van zijn voorgangers in een poging om allochtonen af te schrikken een decreet uitgevaardigd dat mensen verplicht alleen maar mottige huizen neer te zetten? Het lijkt er welhaast op. Enfin, niet dat ik de Waaslanders, en meer bepaald de Lokeraars, wil beledigen of zo, maar verstaat ge het dat ik mij op de trein liever bezighield met het bestuderen van de kaart van Antwerpen dan met het bewonderen van het Wase landschap? Bahjagij, gij verstaat dat.
Op een stafkaart van Antwerpen is er het een en het ander te zien. Zoals daar
zijn: een grote rivier, een wirwar van straten, een knoeiboel van havendokken en
een stadsring die maar niet gesloten geraakt.
Het gebied rond het Lobroekdok is waar we naartoe gaan. Daar begint een
illustere reportagereeks die vele harten zal verwarmen en nogal wat ellende zal verlichten.
Wat opvalt op een kaart van Antwerpen is dat het een grote stad is. In ieder geval groter dan Zandhoven, Mechelen of Eeklo. Zeker groter dan Sinaai, een negorij waar ze allicht nog nooit een Arabier van dichtbij gezien hebben. Toch passeert er een IC-trein, wat wijst op een zekere ontwikkeling. Maar de trein passeert ook door velden en bossen, en wat wil dat dan zeggen? Dat er ontwikkelde veld- en bosnegers huizen? Vergeet het. Alle ontwikkelde veld- en bosnegers hebben zich in Antwerpen gevestigd, wat zich meteen laat vaststellen zodra je in Antwerpen-Centraal van de trein stapt.
Dat er in de Koekenstad een metro rijdt, is een goede reden om nog eens naar Antwerpen af te zakken
Ik zocht me een weg door de buik van het spectaculairste station van West-Europa. Twee ingepakte moslimdames knikten vriendelijk naar mijn Gentse Jezuskop terwijl enkele autochtone inboorlingen mijn trommelvliezen pijnigden met hun tot wijdverspreid regiolect verheven spraakgebrek. Mijn geest besloot desondanks het pad der verdraagzaamheid te bewandelen, zodat ik zonder veel zinloos geweld arriveerde in het metrostation Diamant. Het voordeel van dat metrostation is dat lijn 6 er passeert. Lijn 6 vervoert de passagier naar de (of het?) Luchtbal en passeert daarbij aan het Sportpaleis. Idealomente!
Smalle gaten
“Het zou vet cool zijn mocht ook Gent een metro hebben”, is een veelgehoorde mening in de Arteveldestad. Dat gaat natuurlijk niet, daarvoor zijn er te veel waterlopen in de stad en is de ondergrond te drassig. Ge zoudt uw metro’s verdorie in rubberen tubes moeten laten rijden wilt ge de mensen een paar natte schoenen besparen. Plus daarbij: dat er in de Koekenstad een metro rijdt, is een goede reden om nog eens naar Antwerpen af te zakken. Want die metro’s, die zijn dus werkelijk de max. De toestellen, eigenlijk gewone trams die onder de grond rijden, wringen zich in ontiegelijk smalle gaten. De rit gaat bij wijlen – vooral tussen de stations Elisabeth en Handel – steil naar beneden. Precies een attractie van de Efteling, maar dan zonder lange wachtrijen en, dankzij mijn statutair verkregen Omnipas, vele malen goedkoper.
Toch was ik blij toen ik van de metro/tram kon springen. Tijd om aan de werkelijke reportage te beginnen. Ik mag dan wel van oordeel zijn dat een reportage begint zodra ik mijn deur uit stap, in deze tijden van bondigheid hoopt het lezerspubliek vooral dat de reporter gebruikmaakt van teleportatie en dat hij niet te veel zeikt over zijn reisweg. En omdat mijn hoofdredacteur mij verboden heeft om het lezerspubliek al te veel voor het hoofd te stoten, is het gedáán met die reisweg. Ik arriveerde in metrostation Sport, beklom de trappen, stak een sigaret op en begon aan m’n taak.
Die taak bestond er vooral in te observeren. Welnu: als men aan het Sportpaleis boven de grond komt, springt er het een en ander in het oog, om vooral niet te zwijgen van het Sportpaleis zelf en het bijbehorende Viaduct van Merksem. Daarover gaat deze reportage. In de plannen van de BAM wordt dat – wacht, ‘die’ mag blijkbaar – die viaduct uitgebreid tot er een rijbaan ontstaat van 100 meter breed met wel achttien rijstroken naast elkaar, negen aan elke kant. Tenzij men het verkeer vanuit Nederland wil ontmoedigen, want dan zijn er slechts twéé rijstroken nodig in zuidelijke richting. De zestien andere mogen gerust gebruikt worden om al het overladen vrachtverkeer naar de Hollandse polders te jagen.
De viaduct van Merksem is bijkans twee kilometer lang. Met zo'n afstand kun je eigenlijk ook al spreken van een behoorlijk lange wapper.
Als ge onder de Viaduct van Merksem staat, gaat gij dan beweren dat het daar gezellig is? Dat ge daar dezelfde warmte en geborgenheid ervaart gelijk dat ge voelt onder de Sint-Michielshelling in Gent? Zoudt ge durven te stellen van aha, ik voel mij enigszins beschut tegen de woeste, niets ontziende elementen en, hoho, al dat beton is toch wel gekneed tot een indrukwekkend stuk infrastructuur? Zoudt ge? Wel ja, ge moogt. Als ge echt wilt, vooruit, doe maar. Wat een pret, al dat beton. En dat gáát maar door.
Die viaduct wil men dus verbreden zodat hij voor een deel in het Lobroekdok staat. Dan denkt ge: pff, en tons? Een paar betonnen pijlers die met hun tenen in een vervuild, nauwelijks nog gebruikt havendok staan, wie kan daar iets op tegen hebben? Wonen daar mensen? Staan daar appartementsblokken? Hebben vissen en eenden – door de pollutie gemuteerd of niet – stemrecht? In ieder geval: what the fuck en who cares?
Als ge onder de Viaduct van Merksem staat, gaat gij dan beweren dat het daar gezellig is? Dat ge daar dezelfde warmte en geborgenheid ervaart gelijk dat ge voelt onder de Sint-Michielshelling in Gent? Zoudt ge durven te stellen van aha, ik voel mij enigszins beschut tegen de woeste, niets ontziende elementen en, hoho, al dat beton is toch wel gekneed tot een indrukwekkend stuk infrastructuur? Zoudt ge? Wel ja, ge moogt. Als ge echt wilt, vooruit, doe maar. Wat een pret, al dat beton. En dat gáát maar door.
Die viaduct wil men dus verbreden zodat hij voor een deel in het Lobroekdok staat. Dan denkt ge: pff, en tons? Een paar betonnen pijlers die met hun tenen in een vervuild, nauwelijks nog gebruikt havendok staan, wie kan daar iets op tegen hebben? Wonen daar mensen? Staan daar appartementsblokken? Hebben vissen en eenden – door de pollutie gemuteerd of niet – stemrecht? In ieder geval: what the fuck en who cares?
Als ge onder de Viaduct van Merksem staat, gaat gij dan beweren dat het daar gezellig is? Dat ge daar dezelfde warmte en geborgenheid ervaart gelijk dat ge voelt onder de Sint-Michielshelling in Gent? Zoudt ge durven te stellen van aha, ik voel mij enigszins beschut tegen de woeste, niets ontziende elementen en, hoho, al dat beton is toch wel gekneed tot een indrukwekkend stuk infrastructuur? Zoudt ge? Wel ja, ge moogt. Als ge echt wilt, vooruit, doe maar. Wat een pret, al dat beton. En dat gáát maar door.
Die viaduct wil men dus verbreden zodat hij voor een deel in het Lobroekdok staat. Dan denkt ge: pff, en tons? Een paar betonnen pijlers die met hun tenen in een vervuild, nauwelijks nog gebruikt havendok staan, wie kan daar iets op tegen hebben? Wonen daar mensen? Staan daar appartementsblokken? Hebben vissen en eenden – door de pollutie gemuteerd of niet – stemrecht? In ieder geval: what the fuck en who cares?
Als ge onder de Viaduct van Merksem staat, gaat gij dan beweren dat het daar gezellig is? Dat ge daar dezelfde warmte en geborgenheid ervaart gelijk dat ge voelt onder de Sint-Michielshelling in Gent? Zoudt ge durven te stellen van aha, ik voel mij enigszins beschut tegen de woeste, niets ontziende elementen en, hoho, al dat beton is toch wel gekneed tot een indrukwekkend stuk infrastructuur? Zoudt ge? Wel ja, ge moogt. Als ge echt wilt, vooruit, doe maar. Wat een pret, al dat beton. En dat gáát maar door.
Die viaduct wil men dus verbreden zodat hij voor een deel in het Lobroekdok staat. Dan denkt ge: pff, en tons? Een paar betonnen pijlers die met hun tenen in een vervuild, nauwelijks nog gebruikt havendok staan, wie kan daar iets op tegen hebben? Wonen daar mensen? Staan daar appartementsblokken? Hebben vissen en eenden – door de pollutie gemuteerd of niet – stemrecht? In ieder geval: what the fuck en who cares?
Het water in het Lobroekdok moet dringend doorgesjast worden, zodat alle
vuiligheid wegspoelt en de reinigingsdiensten een buitenmaatse variant van de
wc-eend kunnen toepassen.
De shit is: daar wonen mensen. Het is niet omdat dat dok een gore bak vuiligheid is waar iemand dringend eens het water mag komen verversen dat de heren stropdassen en streepjespakken zomaar kunnen zeggen: “Kom, laat ons daar enkele duizenden kubieke meters gewapend beton plaatsen, niemand die er last van heeft.”
Als een projectontwikkelaar een woonboot ziet, denkt hij: makkelijk, een woonst die zomaar versleept kan worden zonder dat we moeten beginnen met onteigening. Terwijl hij zou moeten denken: hola, dat is een huis waar mensen verblijven, enige empathie is op zijn plaats.
Eenzaam drijft een boot op het Lobroekdok. Het is een woonboot. Hoe we dat
weten? Er staat een satellietantenne op het dak. En zo eenzaam is die boot niet,
leert ons een nadere inspectie van de achtergrond.
Op het Lobroekdok drijft een hele wijk van woonboten, netjes weggestopt achter de industriële en commerciële faciliteiten van de Slachthuislaan. Wie er niet van weet, ziet hem niet. Het is een woonwijk waar ik nergens al iets over gelezen of gehoord heb. Is het niet erg gesteld met de wereld als Antwerpen een zatte kloot uit Gent nodig heeft om op een vergeten straat te wijzen? Maar ach, ik versta dat. Als de hoofdredacteur beveelt: “Verzamel eens wat reacties van ‘de mensen’ over de Lange Wapper”, dan trek je toch gewoon naar de Meir? Spitse straatinterviews galore. Dan ga je geen tijd en energie investeren in norse zonderlingen die hun intrek genomen hebben in een hoop aangespoeld wrakhout.
Gelukkig is míjn hoofdredacteur een wijs man die van zijn reporters wel wat meer durft te verwachten. Eerlijkheidshalve voeg ik er meteen aan toe dat ik voorlopig nog geen woonbootbewoner aan de praat gekregen heb. Maar dat komt nog. Vóór het te laat is. Want op Wikipedia lees ik dat men zelfs overweegt om het Lobroekdok helegans te dempen en er een parkingcomplex van te maken, zodat de bezoekers van het Sportpaleis niet langer moeten wortelen dat ze hun auto nergens kwijt kunnen. Dat zou dan de tweede keer zijn dat dat gebeurt. Want het huidige Lobroekdoek is eigenlijk het Nieuw Lobroekdok. Het Oud Lobroekdok, ook wel bekend als het Noordschippersdok, is al eind de jaren vijftig gedempt.
De woonboten die op het Lobroekdok dobberen, liggen netjes uit het zicht van passanten. Zo kan niemand zich storen aan de woonwijk op het vervuilde water.
Het kantoortje van de Havenkapiteinsdienst herinnert aan een tijd toen het Lobroekdok veel méér was dan een bak water vol vervuild slib.
Een wrak. De troosteloosheid daarvan is niet in woorden te vatten zonder dat
men in sentimentele klefheid vervalt. Wanneer er een parking in de plaats van
het water komt, krijgen we te maken met een ander soort troosteloosheid.
Een braakliggende hoop modder, iets wat moet doorgaan voor een weg, een
hoop boten die kreunen onder hun eigen gewicht en op de achtergrond de
Viaduct van Merksem: er vallen idyllischer plaatjes te schieten in Antwerpen.
Het Lobroekdok herbergt ook een jachthaven. Met de eeuwige Viaduct van
Merksem op de achtergrond is daar weinig glamoureus aan.
Als de Viaduct van Merksem verbreed wordt, hoeven de eigenaars van deze pleziervaartuigen zich in de zomer geen zorgen te maken over een zonneslag.
Ik had genoeg van het Nieuw Lobroekdok. Wat een ellende. Het regende dan nog ook. Miserie erbovenop. Was er een plek om te schuilen in de buurt? Jawel, de Viaduct van Merksem. Miljaarde. Je zou er met honderdduust man kunnen schuilen voor de regen, maar het mocht gieten zoveel het wou, ik was de enige die er beschutting zocht voor de elementen, kil en kou.
Was er hier dan werkelijk nergens een café in de buurt waar ik mijn stramme leden kon warmen met een pint of twee? Het grijs van de lucht en van het beton en van het water diende ontvlucht te worden. Ik eiste ter plekke het recht op om mij te laven aan de geborgenheid van een volksstaminee. Het enige antwoord was nog meer regen in de industriële woestenij rond het Lobroekdok.
Onder de Viaduct van Merksem geraakt men niet natgeregend. Desondanks
maakt een zekere verlatenheid zich meester van des schuilers gemoed.
Schuilend onder de Viaduct van Merksem merkte ik wel dat ik het gezelschap had van een stuk brug. “Dag brug”, mompelde ik, goed wetende dat het ding niet meedeed aan personificatie en alleen zou antwoorden met het geraas van passerend verkeer. Dat kon mij niet deren. Gezwind klom ik omhoog over de natte stenen van de berm, geen sinecure met gladde cowboybotten aan uw poten en een fotocamera die u voortdurend uit balans probeert te brengen.
Bovenop de brug wachtte me een panorama van nog meer infrastructurele ellende. De achteloze wandelaar wordt zodanig om de oren geslagen met postapocalyptische grauwheid dat het niet schoon meer is. Doch, ikzelf was niet achteloos en had niets anders verwacht. Met andere woorden: ja, ik kon genieten van het onherbergzame industriële landschap dat zich aan mijn voeten uitstrekte.
De Viaduct van Merksem gezien van op de IJzerbrug. De eerste wordt verbreed,
de tweede zal onherroepelijk verdwijnen.
Wie een euro zou krijgen voor elke vrachtwagen die over de Ring van
Antwerpen dendert (hier gezien van op de IJzerbrug), kan zich na één dag al
een mooie wagen kopen.
Het Albertkanaal gezien van op de IJzerbrug. Tussen het betreffende kanaal en de
Viaduct van Merksem is een bedrijf actief dat zich bezighoudt met het verplaatsen
van hopen zand van de ene plek naar de andere, en terug.
Ik liep de mij onbekende brug op en wist dankzij mijn stafkaart en mijn uitstekend gevoel voor oriëntatie dat ik me boven het Albertkanaal bevond. De brug zelf kon me weinig schelen, zolang ze maar niet in tweeën brak. De balustrade leek gegoten in goedkoop beton en daarbij zat ze onder het mos, het enige groen in de wijde omtrek. Toen besefte ik echter nog niet dat ik op een stuk geschiedenis stond dat luisterde naar de naam IJzerbrug.
De IJzerbrug, ook wel de IJzerlaanbrug, verbindt het district Merksem met de grootstad Antwerpen en wel op zo’n manier dat gemotoriseerd vervoer zonder hinder van de ene oever van het Alberkanaal naar de andere geraakt. Ondanks die verbindende functie zal de IJzerbrug verdwijnen. De brug moet verhoogd worden om grotere schepen toe te laten op het Albertkanaal, maar helaas kán de brug niet verhoogd worden, want de Viaduct van Merksem staat in de weg. Het is niet bedoeling dat alleen auto’s van een halve meter hoog over de brug geraken, nietwaar. Dus heeft men besloten om de IJzerbrug te dynamiteren, wat een spectaculaire gebeurtenis zal zijn waarover ik gerust een doorleefd verslag wil schrijven.
De IJzerlaan leidt naar een hoop somberheid waarvan de meeste voertuigen
wegrijden. Bij een verbreding van de Ring zal de buurt er bepaald niet
gezelliger uitzien.
De buurt rond de IJzerlaan hééft iets. Het ziet er daar allemaal oud en verslonst
uit, maar toch meen je in de verlatenheid een zekere warmte te mogen ontwaren.
In dit soort buurten vind je tenminste nog volkscafés, als je een beetje zoekt.
De IJzerlaan in zuid-westelijke richting volgen leek me een goed idee. Voor het eerst kwam ik iets tegen dat op een woonwijk leek. Niets geen blikken dozen waarin elektrospullen ineengevezen werden of leegstaande loodsen die stonden te wachten op hun eigen sloop. Kloeke bakstenen woningen, ja. Vooral de huizenrij rechts van de IJzerlaan interesseerde me, geprangd als zij was tussen de IJzerbrug, een spoorlijn en enige industriële faciliteiten.
De kluit huizen had zich verzameld rond de Merksemsestraat, die ondanks haar beperkte lengte toch vier huizen bevatte die te koop stonden. Een vijfde huis stond leeg. Op de deur was een brief geplakt waarop verkondigd werd dat de stedenbouwkundige vergunning om het huis te verbouwen geweigerd was. Het betrof een mooi hoekhuis met zicht op – hoe kon het ook anders? – de eeuwige Viaduct van Merksem. De woonwijk waarover ik het heb, staat nu nét niet in de schaduw van de Ring van Antwerpen. Maar klets daar nog eens tien rijstroken bij en de mensen die in de Merksemsestraat blijven wonen of simpelweg hun huis niet verkocht krijgen, mogen van ‘Under The Bridge’ hun lijflied maken.
Een volkscafé vond ik er helaas niet. Dat speet me. In volkscafés worden waarheden verkondigd. Aan de toog van zo’n staminee neemt niemand de moeite om de waarheid weg te moffelen onder de hopen nuances waar gestudeerde mensen zo hoog mee oplopen. De enige nuance die men er af en toe kan opvangen, is: “Ik ben geen racist.” Maar voor de rest blijven de bruine mannen natuurlijk altijd even grote profiteurs. “Ze komen ons opeten, mijnheer.”
Van op de IJzerbrug was me echter al opgevallen dat er aan de andere kant van de IJzerlaan wél iets was dat op een volkscafé geleek. Ik waagde het erop, en ja: bingo. Het kostte me weinig moeite om café Welkom binnen te stappen. Veel volk zat er niet: één iemand aan de toog en één iemand achter de toog. Het waren niet eens oude mannen, veeleer peten van rond de dertig of zo. Over het interieur kunnen we kort zijn: de max. Een authentiek decor van minstens een halve eeuw geleden met veel hout, grote ramen en een toog die groot en stevig genoeg leek om een uit de kluiten gewassen stier op te ontbenen. Ik bestelde terstond een pint.
Vanuit café Welkom ziet men de parking waar vroeger het Oud Lobroekdok lag.
Op de achtergrond blijft de Viaduct van Merksem aanwezig.
Alras raakte ik aan de klap met de barman en de andere klant. Dat ging natuurlijk over de Lange Wapper. Ik vroeg de barman of hij voor dan wel tegen gestemd had op het referendum van 18 oktober.
“Ik kon niet stemmen, want ik ben voorlopig nog gedomicilieerd in Brasschaat”, zei de man.
Wat zoudt ge hebben gedaan als ge hier wél gedomicilieerd waart?”, vroeg ik in de hoop dat hij niet zou repliceren dat hij niet antwoordt op hypothetische vragen.
“Ik denk dat ik ‘neen’ gestemd zou hebben, want die Lange Wapper, dat is echt een waanzinnig ontwerp.”
“Maar helemaal overtuigd van het tunneltracé zijt ge niet?”
“Kijk, nu ik die Ring hier zie vanuit mijn café, weet ik: er móét iets gebeuren. Zie wat daar allemaal over rijdt van camions. Zo kan het toch niet verder?”
“Dat ze dus maar rap een tunnel graven?”
“Of waarom niet de Liefkenshoektunnel tolvrij maken? Dat zou toch het meest ideale zijn? Maar dat kan blijkbaar niet, dus moet er iets anders gebeuren.”
“Zijt ge met uw café niet sowieso gesjareld als ze die Viaduct van Merksem verbreden naar achttien rijstroken?”
“(blaast) Pfff, tegen wanneer zouden ze daar dan aan beginnen? Dat dossier sleept nu al zoveel jaren aan en met het resultaat van dat referendum zal het waarschijnlijk nog eens tien jaar duren vooraleer ze echt in gang schieten. Tegen dan heb ik dit café allang weer verkocht, denk ik. Maar er móét wel iets gebeuren.”
Ik bestelde nog een pint, want pinten kunnen nooit kwaad. De barman vroeg me vanwaar ik was. “Gent”, antwoordde ik naar volstrekte waarheid.
“Ah, een gezellig stadje”, kreeg ik te horen. “Enfin, niet dat ik er al veel geweest ben. Maar de Vooruit, dat vind ik wel een bangelijke zaal.”
Ik kreeg er al bijna spijt van dat ik een tweede pint had besteld. “Een gezellig stadje”? Da’s gemakkelijk gesproken vanuit een ex-volkscafé dat uitzicht biedt op een landschap van hooggeconcentreerde grijsheid. Mijn kalmte won het echter van mijn chauvinisme. “Zeg, ‘t is niet voor ‘t een of ‘t ander, maar in welke buurt bevind ik mij hier eigenlijk?”
“De Dam. We proberen van dit café een soort aperitiefbar te maken, want er zijn veel restaurantjes in de buurt. Binnenkort gaan we wel wat later beginnen te openen.”
Geen slecht idee. Het was nog maar twaalf uur ’s middags, en ondertussen was de andere klant reeds lang verschwunden in de grijze woestenij van de boze buitenwereld. Voor aperitief was het duidelijk nog enkele uren te vroeg. “Bon, maar ‘t is wel een schoon spel, uw café.”
“Ja, ‘t is een oud schipperscafé. Vroeger was er hier ook een dok, ziet ge. Waar die parking nu is, dat was vroeger water. Het Noordschippersdok heette dat.”
Damn, was ik hier enkele tientallen jaren eerder over de vloer gekomen, dan zat ik te drinken op de oever van het Oud Lobroekdok. ”Dat was hier dan allicht wel een zwaar café in den tijd?”
“Het zou me niets verbazen als er hier vroeger nogal wat ramen gesneuveld zijn, ja.”
“Wijs.” Ik kapte de rest van m’n pintje achterover, betaalde de barman en besloot de Dam te verkennen.
Café Welkom was vroeger een zwaar schipperscafé. Wie er een pint kwam
drinken, moest niet verbaasd zijn als de stoelen, de glasscherven en de
uitgeklopte tanden hem om de oren vlogen. Thans is het een aperitiefbar.
Op mijn stafkaart zag ik dat de Dam van de grootstad Antwerpen afgesneden is door een stevige bundel spoorlijnen. Wie de wijk als een uithoek zou omschrijven, krijgt van mij beslist geen ongelijk. En wie er niet moet zijn, zal er ook nooit belanden. Desondanks heeft de buurt zijn eigen station, Antwerpen-Dam. Naar ik verschillende bronnen heb horen vertellen, is het stationsgebouw een tijd geleden integraal meer dan dertig meter verplaatst. Of dat voor de lol was of om ontdoken belastinggelden wit te wassen, daar is men tot op heden nog altijd niet uit.
Een goederentrein passeert langs het station Antwerpen-Dam. Goederenvervoer
is zeer belangrijk omdat het producten van punt A naar punt B brengt. Als dat
niet zou gebeuren, zou er miserie ontstaan. De mensen die op punt B
ongeduldig op hun goederen staan te wachten, zouden elkaar uit pure colère
met rauwe bieten het hoofd inslaan.
De leegstaande herstellingsloods nabij het station Antwerpen-Dam. Doe er iets
mee, jongens, vooraleer alwéér een stuk erfgoed slachtoffer wordt van het oprukkende maar bloedeloze postmodernisme.
In de buurt van Antwerpen-Dam vond ik een buurtcafé, toepasselijk Den Dammer genaamd. De vier klanten aan de toog schenen elkaar en de barman uitstekend te kennen, zo uitstekend zelfs dat ik familiale banden vermoedde. Damn, da’s lastig om u in te mengen. In zulke gevallen zit er maar één iets op: notitieboekje, balpen en fototoestel op de toog leggen en pinten drinken tot men u iets vraagt in de trant van: “Awel, mijnheer, u hebben wij hier nog nooit niet gezien. Zijt ge soms van de gazet dat ge rondloopt met een fotocamera?”
“Neen, ‘t is voor een website”, zou ik dan kunnen antwoorden. “Ik maak een reportage over de Lange Wapper.”
Ah, de Lange Wapper, daar hebben wij hier al veel miserie mee gehad. Ge zoudt u dat niet kunnen voorstellen hoe wij daarvan afzien.”
“Oei, is het zo erg?”
“Natuurlijk! Ze gaan hier een betonnen spellement zetten dat ge vanuit heel Antwerpen zult kunnen zien. Ik heb ergens gelezen – sla mij niet dood waar – dat zelfs de kathedraal permanent in de schaduw van die brug zal liggen. Jaja, ik heb dat ergens gelezen.”
“Allez, dus ge zijt gij in oktober tegen de Langer Wapper weest stemmen?”
“Och, mijnheer, daar doen wij allemaal niet aan mee. Zie ons hier zitten. Ge weet gij toch ook dat die polletiekers altijd hun eigen goesting doen. Ha, en ondertussen maar hun zakken vullen, alsof wij dat allemaal niet merken. Neen, mijnheer, als ze volk willen om mee te draaien in hun circus, zijn ze bij ons aan het verkeerde adres.”
In de plaats daarvan ging de conversatie over het nieuwe voetbalstadion dat zal worden gebouwd in Antwerpen. De stad wil dat Antwerp (de Great Old) en GBA (den Beerschot) in één stadion spelen. Op dezelfde locatie wil GBA een stadion bouwen alléén voor zichzelf.
“GBA en Antwerp in één stadion, dat komt nooit goed”, stelde een madam stellig. Vervolgens ontaardde het gesprek in een discussie over de prijs van voetbaltruitjes, voetbalsokken, voetbalditjes en voetbaldatjes. Ben ik blij dat ik dat niet allemaal genoteerd heb.
Eenmaal spitste ik de oren toen iemand het had over de Périphérique, wel degelijk die van Antwerpen, niet de Parijse versie, maar het ging alweer over de locatie van het nieuwe voetbalstadion. De Oosterweelverbinding werd zedig doodgezwegen, net zoals zovele andere belangwekkende zaken.
Terwijl Luc De Vos op de radio zong van de middenstand regeert het land, viel het tooggesprek zowat helemaal stil. Dezelfde stellige madam van daarjuist zuchtte. “Allez, morgen zijn we weer een dagske thuis.” Alsof de herdenking van Wapenstilstand geen goede gelegenheid is om op café te gaan.
Shit, ben vergeten pissen, moet dringend openbaar pissijn vinden of zal natte voeten krijgen
Na een drietal pinten, opgedronken in alle eenzaamheid die de postmoderniteit voor ons in petto heeft, controleerde ik het uur en vloekte ik: ik moest door. Terug naar het station, voor de trein richting Gent. Andere plichten stonden reeds in koor te roepen om mijn aanwezigheid. Juist op dat moment, toen ik mijn vest al over mijn schouders aan het sleuren was, maakte ik het eerste contact. Een van de stamgasten – wie zich neerploft op een barkruk en zonder iets te vragen meteen een 33′er voorgeschoteld krijgt, kan niets anders zijn – vroeg me of ik hobbyfotograaf was.
“Min of meer”, zei ik, inwendig vloekend van kost ge dat niet eens een halfuur eerder gevraagd hebben? “Foto’s trekken is eigenlijk een deel van mijn job. Enfin, het is de bedoeling dat het zowat mijn job wordt. Dat het met andere woorden geld oplevert.”
“Allez, succes ermee”, sprak de man.
“Merci. Tot de volgende keer. Saluutjes.”
Ik liep het café uit, en wist: hier kom ik ooit nog terug. Alsook wist ik: shit, ben vergeten pissen, moet dringend openbaar pissijn vinden of zal natte voeten krijgen.
Geholpen door mijn instinct en mijn oriëntatievermogen liep ik richting Antwerpen-Centraal. Al na enkele honderden meters in zuidelijke richting kreeg ik de koepel van het indrukwekkende station in de gaten. Wat ik ongeveer tezelfdertijd in de gaten kreeg, was een pissijn van openbare aard. In Antwerpen zijn dat niet van die chique pissijnen gelijk in Gent, maar het belangrijkste is nog altijd dat ze niet verstopt zitten. Dat waren ze inderdaad niet, zodat mijn voeten immer droog bleven.
Honderden mensen in allerlei huidskleuren van aanstootgevend allooi omsingelden mij
Het is pas achteraf dat ik doorhad dat ik toen al in de wijk Stuivenberg was beland. Ik dacht op het moment zelf veeleer aan het district Borgerokko, dat volgens allerlei doemberichten in de media volloopt met Moren en Arabieren. Mijn vergissing was vergefelijk: ook de Stuivenbergbuurt ziet immers zwart van het gekleurde volk. Op een bepaald moment was ik zowaar de enige blanke op straat. Honderden mensen in allerlei huidskleuren van aanstootgevend allooi, gaande van lichtbruin over zachtgeel tot pikzwart, omsingelden mij. Mensenlief, sommigen waren zo zwart dat men ze niet zou kunnen zien in het duister!
Een fluohesje hadden die zwarte lieden echter niet aan. De enige die in trendy fluo was getooid, was een mijnheer van de stedelijke veegdienst, meteen ook de enige andere blanke in het straatbeeld. White power prevails? Mijn kloten.
Toch voelde ik vanuit mijn onderbuik geen islamofobie opborrelen. Oké, hier en daar had een vrouw een foulard rond haar hoofd gewikkeld. Maar komaan, zeg: als zo’n moslimmadam een hoofddoek combineert met een push-upbeha, zitten we nog altijd niet in Somalië, toch? In alle eerlijkheid vind ik hoofddoeken zelfs minder schrikbarend dan de leggings waar zovele Vlaamse huisvrouwen zich in persen. Met alle respect voor die huismoeders, maar ben ik blij dat de legging geen symbool is van de West-Europese cultuur. Het zou schoon zijn.
Voor het grootstedelijke multiculturalisme me helemaal tureluurs kon maken, belandde ik bij het Centraal Station, nog altijd het mooiste in zijn soort. Merci, Louis Delacenserie, om mij de kans te geven vanuit zo’n imponerende spoorwegkathedraal de trein terug naar Gent te nemen. Merci, Clement van Bogaert, voor een staaltje ingenieurswerk waar de architecten van tegenwoordig niet meer aan kunnen tippen. Och, ge zoudt moeten zien wat ze willen neerpoten in het natuurlijk tracé, mijnheer van Bogaert, ge zoudt u omdraaien in uw neoclassicistisch graf. Maar ge weet gij ook dat de moderniteit niet stilstaat, hein.
De eerste streepjes zon van de dag geven het Centraalstation de allure van een
poort naar de hemel. Wat de Middenstatie in zekere zin ook is.
Het was met een zekere spijt dat ik op de trein richting Gent stapte. Graag was ik nog even in Antwerpen gebleven. Dat natuurlijke tracé had me bij mijn lurven, mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld. Ik durfde mijn verkenningstocht geslaagd noemen. ‘t Is waar, veel mensen heb ik nog niet gesproken, maar ik heb wel enkele schone plaatjes geschoten en daarbij: de ontdekking dat er zelfs op een vervuilde plas als het Lobroekdok gewoond wordt, is ook al iets. Ge moogt dus alvast beginnen uit te kijken naar deel 2, als de Mexicaanse griep zich tegen dan tenminste nog geen natuurlijk tracé door mijn longen geboord heeft.
Tim F. Van der Mensbrugghe
Werktitel 21-11-09
http://www.werktitel.be/2009/11/op-zoek-naar-de-lange-wapper-deel-1-het-lobroekdok/
- Tags:
- Nieuwsrubriek:
meer nieuws
meer opinies
- 1
- 2
- 3
- 4
- volgende ›
- laatste »







Reacties