Op zoek naar de Lange Wapper, deel 3: Deurne-Noord
Het natuurlijke tracé springt over een beduimeld bos en plonst door een vergeten dok. Gloeiend gelijk koperbrons op een kaart van vergeeld perkament staat het pad uitgestippeld dat de Lange Wapper afleggen zal. Maar dat pad, dat tracé, die ideale reisweg voor de handelswaar van den modernen tijd scheert rakelings langs een nederzetting die zich niet zomaar onder de voet laat lopen: Deurne-Noord. Een gevaarlijke buurt, al zeggen de inwoners het zelf, maar De Werktitel werd er warm onthaald.
Door Tim F. Van der Mensbrugghe
Ik heb u al verteld van het Lobroekdok, en ge hebt geluisterd. Ik heb u al verteld van het Noordkasteel Domein, en de wijze frituur daar aan de Royerssluis, en het heeft u gespeten dat ge er zelf niet bij waart. Maar telkens heb ik er u op moeten wijzen hoe desolaat het daar was, hoe weinig menselijke interactie er in die gebieden te rapen viel. Op den duur begon uw dienaar, tevens uw god en koning, zich reeds af te vragen: hadden de heren ingenieurs achter de Oosterweelverbinding het natuurlijke tracé niet door een woonwijk kunnen trekken opdat ik in het kader van mijn werk wat meer volkscafés zou mogen binnenstrompelen?
Het natuurlijke tracé dóór een woonwijk laten lopen was misschien wat veel gevraagd. Maar vlák bij een woonwijk? Een blik op m’n trouwe stafkaart leerde me dat de heren ingenieurs daar inderdaad voor gezorgd hadden. Geschurkt tegen het stuk Ring rond Antwerpen dat verbreed zal worden tot een monster van achttien rijstroken breed ligt een buurt die bekend en berucht is als Deurne-Noord. Er geraken is niet moeilijk: de ondergrondse tram (of zoals ze in Antwerpen zeggen: de metro) stopt aan het Sportpaleis. En dan staat ge daar, of ge dat nu wilt of niet. Ik wou.
Segregatie
Mijn stafkaart kon me niet vertellen waar Deurne overging in Deurne-Noord. Ik vermoedde al dat de inboorlingen het zelf niet wisten. ‘t Is gelijk in Gent: daar weet ook niemand waar Ledeberg begint en Gentbrugge eindigt, en omgekeerd. Laat ons Deurne-Noord daarom definiëren als het stuk Deurne in de schaduw van het Sportpaleis, gelijk Ledeberg het stuk Gent is dat in de schaduw van de Bretelle ligt, de verbindingsautostrade tussen de E17 en het stadscentrum.
De grens tussen Deurne-Noord en Merksem bleek dan weer níét voor discussie vatbaar: het Albertkanaal zorgde voor een bijzonder precieze cesuur. Dat vond ik oké. Een duidelijke afbakening beperkte de kans op verloren lopen. En van een beetje segregatie is nog niemand doodgegaan.

Het Albertkanaal vormt een onnatuurlijke grens tussen Deurne-Noord en Merksem.
Vele Deurnenaars verdrinken tijdens pogingen om naar Merksem te vluchten om
daar een beter bestaan op te bouwen.
Vlak tegenover het Sportpaleis trachtten enige horecazaken mij te verleiden tot snelle, gemakkelijke journalistiek.
Vlug even binnenspringen, een paar verzuurde toogtisten aan het woord laten, en hop, de premetro op, en terug naar Gent? Zo goedkoop wou ik er mij niet van afmaken. In een café apprecieerde ik volksheid nog altijd boven nabijheid. Door de verlaten straten van Deurne-Noord trok ik bijgevolg op zoek naar het etablissement van mijn verloederde verlangen.
Dat viel dik tegen. Als er al een café was, liet het zich niet ontdekken. Het exotische uiterlijk van de weinige mensen die mij kruisten, leek me niet te wijzen op een grondige kennis van de plaatselijke kroegen. Hoe schaamtelijk zou het overigens niet zijn mocht ik wildvreemden gevraagd hebben waar dan toch het dichtstbijzijnde volkscafé zich bevond? En moest journalistiek werkelijk altijd gepaard gaan met drankverbruik? Zomaar te hoop lopen op zoek naar een verhaal mocht toch ook? Plus daarbij: had ik van op een barkruk kunnen vaststellen dat het geraas van het verkeer over de Ring eeuwigdurend van aard was? Neen. Was ik hangend aan een toog tot de conclusie gekomen dat Deurne-Noord een uitgeleefde indruk maakte met zijn honderden huizen die te koop stonden? Neen. Awel, wat was dan het probleem? Niets, mijnheer, wandelt u rustig verder, mijnheer, en verken de buurt op uw eigen tempo.

Een afgeleefd fitnesscenter in Deurne-Noord. De toestand van dit
ontspanningscentrum is symptomatisch voor de buurt.
De belangrijkste ontmoetingsplaats in de buurt bleek de islamitische slagerij te zijn.
Ik schatte mijn kans om daar pintjes te scoren in op onbestaand.
En een islamitisch stuk kotelet of een halallige lebmaag, ja, daar kunt ge gerust een halfuur op sjieken, maar een ontspannende roes bereikt ge er niet mee. Tenzij ge uzelf gedurende dat halfuur ook nog eens de adem ontzegt, bijvoorbeeld door u te verslikken in het indrukwekkende stuk kraakbeen waar ge als ongelovige christenhond recht op hebt. Maar dan kunt ge uw hersenstam evengoed meteen op het scherp van een draaiende slijpschijf leggen.
Och ja, en ik kwam enkele honderden meters verder een café tegen. Maar het was dóód. De kanten gordijntjes hingen nog tegen de ramen, de openingsuren plakten nog aan de deur, maar de zaak stond leeg. Het vat was af. De waard was weg, en de klanten ook. De echo’s van de zondagse teerlingworpen waren reeds lang versmoord in het vocht van de muren.

In het centrum van Deurne-Noord staat een uitgedroogd volkscafé. De kanten gordijntjes
doen een tijdelijke sluiting vermoeden, maar een blik door de stoffige ramen confronteert
de waarnemer met de definitieve leegstand der dingen.
Nadat ik alle straten ten noorden van de Bisschophoflaan onverrichter zake doorkruist had, wist ik dat er maar één optie overbleef: terug naar het Sportpaleis, de enige plek waar zich een beetje horeca had verzameld. Van harte was mijn aftocht het niet. Toen ik eerder uit het metrostation kwam gekropen, was mijn oog onmiddellijk gevallen op café Backstage, dat pochte dat er wel 450 zitplaatsen waren. Kent gij een volkscafé waar 450 man binnen kan? Ik ook niet. Maar bon, ondertussen had ik al verzaakt aan de hoop op een goed gesprek en was het vooruitzicht op een frisse pint mij even dierbaar.
Mijn kruis bevond zich ter hoogte van een vervaarlijke hondenmuil toen ik café Backstage binnenviel. Het beest was me echter goedgezind en in plaats van mijn kloten af te bijten ruimde de hond baan, zodat ik ongehinderd aan de toog kon gaan zitten. Ik telde het aantal klanten, mezelf meegerekend, en besloot dat er nog 447 zitplaatsen vrij waren. Dat viel mee.

Hond Victor houdt de wacht bij de deur van café Backstage. Het ziet er een attente,
potentieel agressieve waakhond uit, maar onder ons gezegd en gezwegen:
‘t is een brave loebas.
Barman café Backstage:
‘In de week sluit ik het café al om 19 uur, anders riskeer ik dat drugsdealers hier hun
handeltje komen opzetten’
De barman vroeg me wat ik wenste te drinken en kon uit mijn antwoord opmaken dat een pintje vereist was. Tot overmaat van verrassing herkende hij ogenblikkelijk mijn Gentse tongval. Pertank valt er in ‘Een pintje, alstublieft’ geen enkele ‘r’ te bekennen die mijn Gentse afkomst zonder compassie op straat smijt.
“Dat is me in Antwerpen ook nog niet veel overkomen dat men subiet hoort dat ik van Gent ben”, merkte ik verbaasd op.
“Oh, maar ik ben vroeger veel uitgeweest in Gent”, legde de barman uit. “De Boccaccio en zo.”
“Ah, oké, dat verklaart veel.” Ik nam enkele slokken van m’n pint en besloot maar meteen op mijn doel af te gaan. “Mag ik u iets vragen? Ik ben bezig met een reportage over de Lange Wapper. Zijt gij weest stemmen?”
“Neen, ik woon in Aartselaar. Ik kon niet meedoen aan dat referendum.”
“Wat hadt ge gedaan als ge wel hadt mogen stemmen?”
“Goh, da’s geen gemakkelijke vraag. Ge moet weten dat een tunnel heel wat wateroverlast veroorzaakt. Door de grond vol beton te steken, kan het grondwater niet meer weg. We hebben nu al miserie door de premetrotunnels. ‘t Schijn (de overwelfde rivier het Groot Schijn, TVDM) loopt onder dit café en als we de pomp niet aanzetten, staat de kelder onder water.”
Grondwater. Een mens kan het zo stom niet bedenken of hij heeft er vodden mee. Ik besloot ook de twee andere klanten, bruine mannen die met volle teugen genoten van het gerstenat dat hun nieuwe thuisland hen te bieden had, enkele vragen voor te schotelen, maar toen hoorde ik dat ze in het Frans converseerden. Bummer. Gedurende vele jaren hebben motten zulke grote gaten in het taalkundige weefsel van mijn Frans gevreten dat ik er niet meer mee buiten durf te komen.
Het Babelse probleem loste zichzelf echter elegant op toen de twee bruine mannen, sympathieke vogels die samen vijf tanden hadden, het café verlieten en een nieuwe klant hun plaats innam. Ik vroeg de man, Marc heette hij, terstond naar zijn stemgedrag inzake de Lange Wapper.
“Ik heb tegen gestemd, al maakt dat toch niets uit”, klonk het gelaten uit de mond van Marc, die wel erkende dat er een mobiliteitsprobleem is. “Tegenwoordig heeft elk gezinslid een auto. Mama heeft er één, papa heeft er één en de kinderen rijden ook allemaal rond met hun eigen auto.”
“Maar als de crisis blijft duren, rijdt er op den duur niemand meer met de auto”, grijnsde de barman.
Marc zelf was alvast te voet naar café Backstage gekomen. Niet onlogisch, daar hij om de hoek resideert. “Hebt u dan ook last van het grondwater?”, vroeg ik empathisch.
“Ja, dat komt door de premetrotunnels. Die premetro, dat is echt geen zegen voor de buurt. Het is op de koop toe de beste ontsnappingsweg voor criminelen.”
“Is er dan zoveel criminaliteit in de buurt?”
Marc knikte. “Al drie keer ben ik hier overvallen. En enkele jaren geleden stond Jamal op zijn blote voeten in ons huis.” Jamal? Wie is dat? Moest ik die kennen? Enig opzoekwerk leerde me ondertussen dat het gaat om Jamal E.K., de serieverkrachter en overvaller die ook bekendstaat als de Kleine Piraat. “Hij was op de vlucht voor de politie, die de hele buurt afgezet had. Via het badkamerraam was hij binnengekropen bij ons, waarop mijn vrouw hem tegengekomen is in de gang. Toen ze de politie wou verwittigen, is hij langs de voordeur naar buiten gevlucht. En ge moet niet denken dat de politie hem toen opgepakt heeft. Neen, die gast is op zijn blote voeten ontsnapt via de metro. Terwijl het hier vol politieagenten stond.”
“Straf. Ik dacht dat de buurt vooral last had van het lawijt van de Ring.”
“Oh, neen, wij niet. Achter ons huis staat er een hoge muur die het lawaai weerkaatst. Maar van het Sportpaleis hebben we wél last. Binnenkort zullen we in ons bed weer kunnen meezingen met Clouseau.”
“Gaat dat zo luid?”
“Ja. Zeker als er zowel in de Lotto Arena als in het Sportpaleis zelf iets te doen is. In de ene zaal kan er 8.000 man, in de andere 18.000. Als ze dan de luiken op het dak openzetten om voor afkoeling te zorgen, geeft dat nogal wat met al dat volk.”
“Maar als er optredens zijn in het Sportpaleis is het hier wel veiliger”, merkte de barman op. “Het is maar als er niets te doen is dat ge moet uitkijken. Dan is ‘t prijs. In de week sluit ik het café al om 19 uur, anders riskeer ik dat drugsdealers hier hun handeltje komen opzetten.”
“Allez, ge zoudt hier dus zelf niet komen wonen?”, vermoedde ik.
“Neen”, antwoordde de barman beslist. “Vroeger leefde het hier nog, maar nu is het een dode buurt.”
“En voelt gij u nog op uw gemak in Deurne-Noord?”, vroeg ik aan Marc.
“Och, er zijn hier wel veel overvallen, maar ‘t is nog niet zo erg als in Anderlecht, hé.
Ge ziet hier iets en ge beleeft hier wat.”
Marc is al drie keer overvallen in Deurne-Noord, de buurt waar hij woont. Maar aan
verhuizen denkt hij niet. 'Het is hier nog niet zo erg als in Anderlecht.'
Tijd om van decor te veranderen. Ik degusteerde het laatste beetje bier en betaalde de barman een democratische prijs. “Op naar het volgende café”, deelde ik mee. De barman en Marc groetten me ten afscheid en Victor deed me uitgeleide. Zodoende stond ik even later weer moederziel alleen het vuile weer te trotseren. Niet getreurd, want nauwelijks vijf minuten later had ik al een nieuw onderkomen gevonden: Café Bieke, gelegen aan de Bischoppenhoflaan.
Er was nog plaats aan de toog, wat in alle omstandigheden een strikte voorwaarde is om een café binnen te stappen. Ik installeerde me en keek rond. Café Bieke had een schoon, ouderwets interieur, op het gezellige af. Er stond een pooltafel en enkele klanten speelden pietjesbak. Kon het nog volkser? Daar zou ik niet om durven te wedden. Ik bestelde bij barvrouw Magda een pintje en wachtte geduldig tot er zich een gesprek voordeed waarbij ik mezelf kon betrekken.
Toen dat wachten naar mijn normen een beetje te lang begon te duren vroeg ik alvast aan Magda of zij voor dan wel tegen de Lange Wapper was gaan stemmen. Het antwoord was duidelijk.
“Ik heb tégen die brug gestemd, mijnheer. Een tunnel veroorzaakt veel minder overlast. Zo’n brug, da’s alleen maar show. En ik rij niet eens met de auto”, vertrouwde Magda me toe. “Hoe hebt gij gestemd?”
“Ik mocht niet stemmen, madam, ik ben slechts een Gentenaar”, bekende ik nederig. Zou ze mij nu uit medelijden een gratis pintje toeschuiven? Nope.
Ondertussen waren de vaste klanten een discussie begonnen over de toestand van de hedendaagse samenleving. “Er is geen normbesef meer. Het is allemaal ikke, ikke, ikke”, stelde iemand. Zijn collega-tooghangers beaamden dat en de man ging verder op z’n elan: “Tegenwoordig willen mensen allemaal meteen een groot huis, terwijl zoiets moet groeien: koop eerst een studio, dan een appartement en begin pas te bouwen als ge daar genoeg geld voor hebt.”
Onder de rokken van dit vrolijke bijtje in Café Bieke ontspinnen zich sombere gesprekken.
'Dit is een gevaarlijke buurt', zeggen de vaste klanten. 'Dat moet gezegd worden.
Men moet niet rond de pot draaien.'
Stilaan raakte ik in het gesprek betrokken en uiteindelijk smeet ik de cruciale vraag in de groep: “Wie is er hier allemaal weest stemmen voor of tegen de Lange Wapper?”
Enkele klanten spraken meteen hun steun uit voor de brug, terwijl anderen klonken alsof ze de Lange Wapper desnoods met hun blote vuisten tegen de grond zouden werken als hij er ooit kwam.
“Die Lange Wapper moet er komen om mee te kunnen met de rest van de wereld”, argumenteerde Alex, een theedrinker die zich liet voorstaan op zijn bezadigde manier van discussiëren. “Als die brug er niet komt, wordt Antwerpen een dorp.”
Louis (67):
‘Een brug is chic, nietwaar? Dan kunnen we onszelf wijsmaken dat we in San Francisco leven’
“Maar we zíjn een dorp en we zullen altijd een dorp blijven!”, zei Louis, een gepensioneerde met een mening, om de zaken in het juiste perspectief te plaatsen.
“Dat ze een tunnel graven of een brug bouwen, het doet er niet, maar er moet íéts gebeuren”, bracht Alex aan.
“Ja, en een brug is chic, nietwaar? Dan kunnen we onszelf wijsmaken dat we in San Francisco leven”, schamperde Louis.
Enkele klanten verderop aan de toog mengden zich in de discussie: “Die Lange Wapper is wél een oplossing. Wij zijn het beu om hele dagen in de file te staan.”
“Het ergste is dat men de mensen laten stemmen heeft terwijl alles al lang beslist is”, zei Alex. “Die brug komt er echt wel!”
“Een brug is altijd een ramp”, zuchtte Louis bitter. “En we hebben het allemaal te danken aan die burgemeester van mijn kloten. De grootste klootzak die we ooit gekend hebben. Die man durft geen beslissingen te nemen.”
Louis kreeg meteen tegenkanting van Alex: “Patrick Janssens (sp.a) durft wel beslissingen te nemen, alleen doet hij dat achter gesloten deuren. Maar hij is géén broekschijter.”
“Ge hebt gelijk, hoor, Louis, die Janssens denkt alleen aan zijn zichzelf”, suste Magda.
“Mijn grootvader was socialist. Mijn vader was socialist. Ikzelf was socialist”, gaf Louis toe. “Maar die Janssens, dat is geen socialist, dat is een voddenbal. En ondertussen worden de problemen almaar groter en groter.”
“Over tien jaar zijn we een derdewereldland”, voorspelde Alex pessimistisch.
Plots merkte Louis op dat ik ijverig zat op te noteren. Er ontstond enige argwaan. ”Hela, gij zijt toch geen vriendje van Patrick Janssens dat hier onze gevoelens komt opschrijven, hé?”, vroeg hij streng.
“Neen, wees gerust, ik ben slechts een journalist uit Gent”, verkondigde ik.
“Uit Gent! Daar zijn de socialisten ook aan de macht en het trekt daar ook op geen kloten, juist gelijk hier!”, klonk almeteens het bikkelharde oordeel. Burgemeester Daniël Termont had het moeten horen, hij draaide zich om in zijn bed.
“In Antwerpen zijn de socialisten geen socialisten meer”, bevestigde Alex.
Louis fronste zijn voorhoofd tot een aantal misnoegde plooien. “Geen enkele politieke partij deugt nog”, zei hij somber. “Schrijf dat maar op, want het is de waarheid. Hier worden geen leugens verteld.”
Ik kriebelde Louis’ woorden in m’n notitieboekje en garandeerde hem dat ik zijn woorden niet zou verdraaien gelijk het mij uitkwam.
Louis (67):
‘Niet de huidskleur is belangrijk, wel hoe mensen zich gedragen’
“Oké, da’s goed”, knikte hij. “Kijk, wat ik wil, is dat de problemen benoemd worden. Als Marokkanen een overval gepleegd hebben, moet men ook zeggen dat de daders Marokkanen zijn. Maar vroeger waart ge een racist als ge dat durfde te zeggen. En het moet ook gezegd worden dat dit een gevaarlijke buurt is. Ik ken genoeg mensen die door vreemdelingen in het ziekenhuis geklopt zijn. We moeten niet rond de pot draaien.”
Louis liet er alvast geen gras over groeien om zijn ongemak te uiten. “Als ik tegenwoordig op tram 12 stap, zit ik tussen de vreemdelingen. Ik versta niet wat die mensen allemaal zeggen. Als Belg en als Vlaming vraag ik mij dan af: in welk land zit ik hier eigenlijk?”
“Ik ben géén racist”, verzekerde Louis me. “Ja, ik vind dat men zware criminelen terug naar hun eigen land moet sturen, maar daarom stem ik nog niet op het Vlaams Belang. Niet de huidskleur is belangrijk, wel hoe mensen zich gedragen.”
Louis’ gelaatsuitdrukking werd opeens een pak milder. “Mijn kleinzoon heeft zes weken geleden een kindje gekregen met zijn zwarte vriendin”, zei hij met fonkelende ogen. “Dat jongetje is dus een halfbloed. Awel, ik ben daar bijzonder fier. Zo’n schoon ventje dat dat is!”
Ik feliciteerde Louis met zijn achterkleinzoon. “Santé!”, zei ik. ”Schol!”, repliceerde hij.
Louis stak een priemende vinger naar me uit. “Weet ge, Gentenaars zijn toffe kerels. De Gentse woordenschat is fantastisch, dat platte Gents is even straf als het Antwerps. En of we nu van Gent, van Antwerpen of van Kortrijk komen, we moeten trots zijn op onze stad. Zoals we er ook trots op moeten zijn dat we Vlaming zijn. Als ik de naam Jan Breydel hoor, dan voel ik dat vanuit mijn buik naar boven komen: ja, ik ben Vlaming.”
Mijn kop mocht afvallen als Louis geen fan was van een populaire Vlaamsgezinde politicus uit Berchem. “Mijn stem gaat naar Bart De Wever”, bevestigde Louis mijn vermoeden. “Dat Patrick Janssens maar oplet bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, want hij zal er liggen en De Wever zal er staan.”
Aan de toog van Café Bieke vinden de vaste klanten geborgenheid. Zij kennen elkander
en de onderlinge kameraadschap laat af en toe een stevige discussie toe.
Louis vroeg of ik nog een pint moest hebben. Daar zei ik geen neen tegen. Maar mijn notitieboekje propte ik reeds in de binnenzak van mijn vest. “Het werk zit erop”, zei ik. “Santé.”
“Schol”, zei Louis. We dronken van het frisse bier. “Toen ik zo oud was als u was ik een onnozelaar”, bekende Louis. “Voor het minste ging ik op de vuist. Gelukkig ben ik met ouder worden kalmer geworden.”
“Daar ben ik blij om”, zei ik.
“Maar ge moogt mij niet fotograferen, hé, of ik weet u te vinden!”
“Geen probleem. Ge zult niet op de foto staan.”
“Oké, dan blijven we even goede vrienden.”
Toen m’n bier op was, bleek het tijd om te vertrekken, terug naar mijn geliefde Gent. Louis drong aan om nog één laatste pintje te drinken, maar ik moest hem ontgoochelen. Plus daarbij: ik zit voor mijn werk al hele dagen op café bier te consumeren, dan kan het geen kwaad om af en toe eens neen te zeggen. Ik bedankte de tooghangers in Café Bieke voor hun verhaal en wandelde buiten.
Op de premetro op weg naar het station vroeg ik me af wat ik zou aanvangen met de uitspraken van Louis over Patrick Janssens. Waren zijn woorden niet iet of wat nodeloos beledigend? Straks trachtten de socialisten mij een Rogerke Van Houtte te lappen! Awel, dát ze. Ik had Louis beloofd niet rond de pot te draaien, en bij God, ik zou mijn belofte trouw blijven. Walk and don’t look back.
Door Tim F. Van der Mensbrugghe
http://www.werktitel.be/2009/12/op-zoek-naar-de-lange-wapper-deel-3-deurne-noord/
- Tags:
- Nieuwsrubriek:
meer nieuws
meer opinies
- 1
- 2
- 3
- 4
- volgende ›
- laatste »



